15-02-12

Op stap met drie koningen

guido 2.jpgWeet je dat er naast de mensenwereld en de dierenwereld zo iets bestaat als de beeldenwereld? Neen? Ik zal het even uitleggen. Ieder jaar, de tweede zondag van februari, klokslag twaalf uur ’s middags gaan alle standbeelden waar dan ook ter wereld hun eigen leventje leiden gedurende welgeteld één seconde. Ontzettend kort leventje hoor ik je zeggen. Inderdaad ware het niet dat één seconde in de beeldenwereld overeenkomt met zowat één jaar in de mensenwereld. Beelden leven ongeveer tegen de snelheid van het licht. Vandaar wij mensen niet merken dat ze verdwenen zijn en niet merken dat ze bewegen. Onze wereld staat compleet stil terwijl zij hun gang gaan. Als getalenteerd schrijver en schilder heb ik uiteraard nu reeds mijn eigen standbeeld welke ik gemakshalve “ik” zal noemen in dit verhaal. Ik komt mij uiteraard steeds uitvoerig verslag uitbrengen van zijn jaarlijks avontuur. Daar gaan we.

Oostende. Twaalf uur. Een stralend winterzonnetje. Ik haast me zo vlug als mijn stramme bronzen botten me kunnen dragen naar de zeedijk. Het is er druk. Tussen de stilstaande massa bemerk ik Koning Boudewijn, verontwaardigd omdat studenten gedurende het afgelopen jaar zijn brilletje gepikt hebben, verontwaardigd omdat men er niet in geslaagd is om de laatste restjes rode verf welke vandalen over hem gekieperd hebben van de kraag van zijn jas te verwijderen. Ik merk zijn geïrriteerdheid.
“Hoe maakt u het, Sire?” vraag ik eerbiedig.
“Het gaat, maar …,” somber kijkend en wijzend op de kraag van zijn jas.
“t’Ja, droogkuis zal hier niet veel helpen vrees ik. Misschien straks even laten zandstralen,” reageer ik lachend.

Een eind verder klautert koning Leopold II van zijn paard. Kreunend bereikt hij de begane grond. Links een groepje Kongolezen die hem dankbaar aankijken, uitgezonderd die ene met zijn afgezaagde hand. Hij zal er wel zijn reden voor hebben. Rechts enkele vissers die al onmiddellijk een feestje beginnen te bouwen.
“Ha, de Polle nummer Twee,” roep ik. Die Romeinse cijfers liggen me niet goed.
Polle Twee gaat een paar keer door zijn knieën om zijn stijve spieren los te werken en begroet ons uitbundig.
“Kom,” zegt hij,” we gaan vader halen.”
Met zijn drieën wandelen we via de zeedijk in de richting van het Kursaal. Een eind verder komt koning Leopold I ons vanuit de Kemmelbergstraat, statig, kaarsrecht, tegemoet gewandeld. Ook hij heeft zijn paard achtergelaten op het plein dat naar hem vernoemd is. Polle Eén is wat gereserveerder dan zijn zoon en geeft ons allen een ferme handdruk. Samen lopen we verder. Ter hoogte van het Kursaal maakt Polle Twee, de sloeber, de stille genieter, een praatje met Grace Kelly, ja die van Monaco weet je wel. Deze ziet het niet zitten om met ons mee te komen.
In de hall van het Kursaal tokkelt Marvin Gaye breedlachend een deuntje op zijn piano. Met zwier klapt hij de piano dicht, wipt van het bankje, trekt zijn jasje goed en zegt: “Klaar, dan zijn we zeker. Nog even langs de Visserskaai om Lucy Loes op te pikken.”
Lucy staat ongeduldig te wachten.
“Ik dacht al dat jullie niet meer zouden komen,” zegt ze verwijtend.
“Rustig, Lucy, ’t is Polle Twee zijn schuld. Ge kent hem hé. Als hij een schoon vrouw gezien heeft …,” probeer ik haar te kalmeren.
“Hij is zeker weer blijven plakken aan die van Monaco?” gaat Lucy verder.
“Komaan, straks missen we onze trein nog.” Boudewijn probeert er vaart in te steken.
Nog net op tijd halen we de trein van 13 uur naar Brussel.

Polle nummer Twee staat er op dat we zouden afstappen in Brussel Noord. Groot is echter zijn ontgoocheling wanneer hij merkte dat alle bordelen in de Rue du Progrès verdwenen zijn. Op de Place Rogier staat een verdwaalde overjaarse straatmadelief. Polle Twee geeft haar speels een tik op de kont. Er verschijnen pretlichtjes is zijn ogen. Preutse Boudewijn kijkt de andere kant op. Via de Adolphe Maxlaan komen we aan de Beurs. Op de trappen van het gebouw staat een man met een bord België Barst. Pol Eén loopt de trappen op en geeft de betoger een flinke stamp tegen zijn achterste. De man zal nooit weten wat hem overkomen is.
“Ik moet toch iets doen om mijn koningshuis te redden,” zegt hij verontschuldigend.

We lopen verder via de Beursstraat richting Grote Markt. Het is er druk, erg druk. Marvin en Lucy hebben veel succes bij de beelden van het stadhuis met hun duet “gie zie mien zèèkapiting”.
“Kom, laten we naar de kleine gaan kijken,” zegt Leopold Eén. Hij bedoelt Manneke Pis.
Op de hoek van de Stoofstraat en de Eikstraat wemelt het van toeristen. Een meute stokstijve Jappen met kanjers van fototoestellen verdringt zich voor het ijzeren hekken. Zij merken uiteraard niet dat Manneke Pis even pauze heeft genomen. Het ventje zelf zit op de stoeprand, een eind verder in de straat. Hij drinkt in één teug een flesje geuze bier leeg.
“Je hebt er geen gedacht van hoeveel een mens op een dag moet drinken om hier constant te staan plassen,” zegt hij klagend.
Met een grimas op zijn gezicht wrijft hij over zijn pijnlijke bil. Een stenen pijl van Cupido kan hard aankomen. Zijn lief, Jeanneke Pis zit een eindje verder beteuterd te kijken.
“Zin om met ons mee te gaan?” vraagt Boudewijn aan het manneke.
“Neen, veel te veel werk man,” is zijn antwoord.
“Daarbij, ik heb deze namiddag een afspraak met de kleermaker. De Leuvense boerinnenbond doet mij een Eskimopakje kado. Ik zal het goed kunnen gebruiken want de nachten zijn nog koud, weet ge.”
Zuchtend staat het ventje recht, werpt nog een kwade blik op Cupido aan de gevel en kruipt dan terug in zijn nis voor de volgende plassessie.

“En nu naar Parijs!” roept Leopold Twee plots met luide stem.
“Oké, maar dan moeten we de auto ophalen in het paleis,” reageer ik enthousiast op het voorstel.
“Mij goed,” zegt Polle Eén, “dan kunnen we eerst even de familie goeiedag zeggen.” Boudewijn zegt dat hij liever naar Santiago de Compostella zou gaan maar legt zich uiteindelijk neer bij de meerderheid. Na wat zweten en puffen op de Kunstberg bereiken we via het Koningsplein de personeelsingang van het Koninklijk Paleis. De Polles en Boudewijn kennen er uiteraard de weg als hun broekzak en in geen tijd staan we in de grote eetzaal. De familie is net begonnen met het middagmaal. Wie dacht dat het er stijfjes aan toe zou gaan heeft het verkeerd voor. Mathilde heeft haar handen vol met Emmanuel die een lepel soep over het hoofd van de kleine Eléonore gekieperd heeft. Prins Filip zit op zijn Nintendo te spelen. Prins Laurent staat in de hoek met de handen op zijn hoofd en Claire zit wat beteuterd te staren naar een fluo roze dildo die ze net van Laurent gekregen heeft voor Valentijn. Paula krijgt onder haar voeten van haren Albert omdat ze vandaag al voor de vierde keer het plaatje Dolce Paola van Adamo heeft opgelegd.
“Ik zie dat mijn Fabiola nog steeds naar dezelfde kapper gaat,” merkt Boudewijn stijfjes op.
“Kom, als we nog voor de donker in Parijs willen zijn, moeten we nu vertrekken,” probeer ik de rest mee te krijgen.
Even later staan we in de garage en trek ik het dekzeil van de oude glimmende Bentley weg. Tien minuten later rijden we de autosnelweg op richting Franse hoofdstad.

“Naar Versailles?” vraag ik wanneer we de lichtstad naderen.
“Neen, ik heb geen zin om daar al die Lodewijken tegen het lijf te lopen. Eén bende dikke nekken. Laat ons naar het Louvre gaan. Ik heb gelezen dat er daar deze avond een Bal Polulaire plaats vindt,” antwoordt Polle Eén.
Ik parkeer de Benley naast de glazen piramide op het centrale plein. We haasten ons naar binnen. Het feestje is al volop aan de gang. De Venus van Milo en de gevleugelde Nikè van Samothrake stelen de show. Amor en Psyche stoeien er schaamteloos op los. Polle Twee is niet te houden en stort zich in de armen van Euphrosyne, Aglaea en Thalia, de drie dochters van Zeus. Tot Cléo de Mérode plots op het toneel verschijnt. Het was vlug gedaan met zijn triootje. Ik heb Polle Twee de rest van de avond niet meer gezien. Amphitrite heeft duidelijk genoeg van haren Poseidon en heeft een oogje laten vallen op onze Polle Eén maar die ziet een avontuurtje met de Griekse schone niet zitten. Hij haast zich naar de Sully vleugel waar de uitgenodigde bende van het Musée Grevin zich volop aan het vermaken is. Onze Marvin Gaye vond er Diane Ross en samen zorgen ze voor een volle dansvloer met hun sensuele You're my everything. Polle Eén danst de ene slow na de andere met de wulpse Marilyn Monroe. Ik ga op zoek naar Lucy Loes. Ik vind haar enkele zalen verder. Er hangen een hele meute gedrapeerde Grieken en Romeinen aan de lippen van de kwelende Lucy. Me vintje kom noar huus, up de vissemarkt zienk geboren, tis gedoan met de dikke madam. Ze verstaan er geen lap van. Ik loop verder door de vele zalen. In de Hall Napoleon staat Johnny Holiday te kwelen en Madonna bouwt haar feestje in de Richelieu vleugel. Boudewijn is nergens te bespeuren. Hij wordt even later, blijkbaar flink boven zijn theewater gesignaleerd in het gezelschap van Bacchus. Nog even later wordt hij gezien, brakend als een reiger op het binnenplein van het Louvre. Daar vind ik hem, uitgeteld, slapend op de grond naast de Bentley. De rest komt even later op het afgesproken uur. We plooien Baudewijn in de auto en keren terug naar Oostende.

Het is klaarlichte dag wanneer ik de Bentley parkeer op de zeedijk ter hoogte van de Drie Gapers. Marvin Gaye en Lucy Loes vertrekken arm in arm richting Kursaal. Polle Eén, fris als een hoentje, besluit nog een wandeling te maken. Baudewijn trekt zijn kraag recht en waggelt trichting strand. Straalbezopen vissers stoppen met zingen en nemen hun plaats terug in, in de beeldengroep wanneer ze Polle Twee zien afkomen. De groep negers ligt al lang te snurken. En ik, ik ga slapen.


13:50 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-02-12

Met een lamme vlerk in Valmorel

Een paar weken terug, kort na mijn operatie aan de schouder reisden we naar het Franse Savoie waar Helga zal skiën en ik lekker niksen, niet omdat ik niet kan skiën maar wel omdat ik nu éénmaal niet mag skiën. Ons hotelletje ligt in Le Crey, een onooglijk gat op de flank van de berg, twaalf huizen, zeventien vaste bewoners. Niemand herinnert zich nog de laatste geboorte. Vorig jaar waren ze nog met achttien. Le vieux Maurice verdween tussen kerst en nieuwjaar 2010. De andere Creyezen dachten dat ze hem in de lente wel zouden vinden, ééns alle sneeuw gesmolten zou zijn. Maar Maurice was en bleef verdwenen. Maurice was in 1946 en 1947 topscorer van het toenmalige voetbalteam FC Le Crey. FC Le Crey was in die tijd de aartsrivaal van FC Le Pré. Le Pré is een al even onooglijk gat gelegen op amper vijfhonderd meter van Le Crey, enkel gescheiden door de baan die naar het hogergelegen, enkele kilometers verdere Valmorel leidt. Het was in die tijd en trouwens ook vandaag nog om zeer begrijpelijke reden niet erg makkelijk om in de bergen een terrein te vinden van een goeie honderd meter lang en vijftig breed dat horizontaal ligt. Een dergelijk veld dat min of meer aan deze voorwaarden voldeed lag op grondgebied van Le Crey. Le Crey en Le Pré deelden het veld. Het veld moest enkele jaren terug plaats ruimen voor de skipiste Blanchot. Sedert 25 juni 1947, de dag dat Maurice in buitenspel zijn laatste doelpunt scoorde voor Le Crey is het nooit meer goed gegaan tussen beide dorpjes.

Maurice kreeg toendertijd voor zijn prestatie twee medailles die hij de rest van zijn leven zou blijven dragen net als zijn voetbalschoenen. Maurice deed zijn voetbalschoenen nooit uit. Twee maal verliet hij Le Crey. In 1967 en in 1989. Toen reisde hij telkens naar Abertville om er nieuw voetbalschoenen te kopen. Mogelijks is Maurice terug naar Albertville om nieuwe voetbalschoenen maar in dat geval blijft hij toch wel erg lang weg.

Le Crey ligt op een boogscheut van Valmorel. “Elle est bonne” zeggen de Valmorezen. Daarmee bedoelen ze niet hun befaamde Beaufortkaas, maar wel de kwaliteit van de sneeuw. Het witte tapijt knarst onder onze voeten. Door mijn lamme vlerk ben ik gedoemd tot wandelen en ploeteren door de sneeuw. Geen koeien op de piste. Valmoreleze boeren halen hun koeien binnen als het sneeuwt. Valmoreleze koeien staan op stal in de winter. Sombere, donkere naar amoniak stinkende stallen. Met hun poten diep weggezakt in de drek, rot stro en de zeik want de mesthoop is ondergesneeuwd en blijft ondergesneeuwd. De toeristen houden niet van mesthopen, toch niet van Valmoreleze mesthopen. In de zomer is het anders. Zomertoeristen houden van mesthopen. Het blijkt dat in Valmorel de mesthopen het meest gefotografeerde onderwerp is bij de zomertoeristen. Wintertoeristen houden niet van koeiestront op hun smetteloze skipakken. Daarom moeten de koeien op stal en mesten de Valmoreleze boeren hun stallen niet uit.

Geen koeien op de pistes, wel dikke vrouwen. Op de skipistes hebben alle vrouwen een dikke kont, zelfs zij die normaal geen dikke kont hebben. Op de pistes zit zelfs in het meest strakke skipak, een gewatteerde, ogenschijnlijk, dikke kont. Valmoreleze boeren kijken met bewonderende blikken naar de voorbijglijdende konten. Zij zien liever glijdende toeristenkonten dan hun eigen koeienkonten. Valmoreleze boeren zijn gezonde mannen. De berglucht doet hen goed. Zij wuiven naar de konten. De konten wuiven niet terug.

De arrogantste konten horen toe aan de Russische vrouwen. Sinds Valmorel Club Med heeft binnengehaald glijden arrogante niks en niemand ontziende Russische konten over de Valmoreleze pistes. Valmoreleze boeren kijken graag naar die glijdende roebelkonten die de kassa’s doen rinkelen. Ik behoor niet tot de mannen die zich graag laten overglijden door een arrogante Russische kont. Ik hou niet van Russen en bijgevolg ook niet van hun konten, zelfs niet van een Russische vrouwenkont. Wat hebben Russen verloren in Valmorel ? Waarom bouwen die Russen geen Club Med in Siberië. Daar hebben ze toch sneeuw genoeg.

Een Franse vrouwenkont kan mij wel bekoren maar niet in Valmorel. In Valmorel is zelfs een Franse vrouwenkont dik. Naar het schijnt zijn de Franse vrouwenkonten aan de Cote d’Azur wel te pruimen. Maar ik hou nu éénmaal meer van sneeuw dan van zand, dus moet ik het noodgedwongen stellen met dikke konten.

Wij zakken tot aan onze knieën in de diepe maagdelijk witte, vlekkeloze sneeuw. Zeer geregeld wordt de witte perfectie bruusk verstoord door een bruine drol aan de rand van het pad. Natuurlijk vandalisme ten top. “Een hond ?” vraagt Helga, de neus ophalend. Waren het keutels geweest, dan was het mysterie vlug opgelost geweest. Keutels horen bij berggeiten en berggeiten zijn de enige die hier mogen loslopen, althans met de goedkeuring van de toeristen. Maar het waren geen keutels, dus weet ik veel, maar gezien ik haar ooit heb wijsgemaakt dat ik alles weet, kan ik mij niet veroorloven haar vraag te ontwijken. Ik weet dat de drol van een grote hond doorgaans veel gelijkenissen vertoont met die van de homo sapiens. “Een mens”, antwoordt ik geamuseerd kijkend met een uitgestreken gezicht en wachtend op de volgende multiplechoicevraag: “man of vrouw ?” Ik gok op mannelijk.

Op dat ogenblik worden we rakelings voorbijgegleden door een Russische koe gevolgd door haar perestrojka stier. Het pas is smal en Igor gooit alle remmen dicht. De sneeuw stuift hoog op en hij komt vlak voor ons tot stilstand. Schaapachtig zoals alleen Russen kunnen kijken, kijkt hij me aan en blikt vervolgens naar beneden naar de bruine drol die aan zijn rechter skilat kleeft. Voor mij het overduidelijke bewijs dat de drol er hoogstens een half uurtje voordien gedeponeerd werd zo niet zou ie bevroren zijn geweest en weggekapulteerd door de skilat. Igor kijkt me opnieuw aan, met opengevallen mond. Een vodkawalm bereikt m’n neusgaten. Zijn blik heeft iets onheilspellend, idem de getrokken mond in zijn breed Russische bakkes. De aanblik van de bruine drol, een overjaarse brownie, verwrongen op de skilat van die Rus, je zou voor minder in een lach uitbarsten.

“Kapoba”, mompel ik verontschuldigend, mijn lach onderdrukkend en wijzend op de skilat, alhoewel ik me totaal niet verantwoordelijk voel voor zijn onwelriekende aanvaring. Kapoba is één van de drie Russische woorden in mijn woordenboek en je gelooft het of niet : het betekent koe. Hoe ik dat weet ? Zo maar. Wanneer je vreemde talen leert moet je toch met iets beginnen. Ik wou in feite hond zeggen in het Russisch maar zo ver reikt m’n kennis van deze taal niet.

Het kan zijn dat mijn uitspraak niet correct is. Mogelijks heeft kapoba nog een andere betekenis welke in huidige situatie volledig misplaatst ervaren wordt door Igor. In ieder geval, Igor begint te briesen als een stier. Zijn koewijf een eind verder heeft totaal niet door wat er gebeurt en begint te krijsen zoals enkel Russische wijven kunnen krijsen. Een typisch kenmerk voor Russische wijven : als hun vent gromt beginnen zij te krijsen omdat ze dan normaal gezien een pak slaag verwachten. Ik merk vanuit mijn ooghoeken dat ze zo heftig krijst dat ze wegglijdt. Igor is eventjes afgeleid. Het moment voor mij om enkele passen bergopwaarts achteruit te zetten. Op deze manier kom ik schuin achter hem te staan en dat zal achteraf bekeken een goeie zet blijken te zijn.

Ik moet duidelijk op weinig begrip rekenen van de Russische hulk voor mij. Ik tover een onschuldige lach op mijn uitgestreken gezicht en zeg op de vriendelijkst mogelijke toon : “stinkende Rus stom bakkes vet zwijn dikke stront …”

Helga proest het uit. Ik ben er uiteraard van overtuigd dat Igor geen fluit verstaat van wat ik zeg. Dat hoop ik toch en daar lijkt het althans op, voortgaand op de stomme blik waarmee hij afwisselend mij en Helga vragend aankijkt. Zijn aantal hersencellen is duidelijk omgekeerd evenredig met het aantal roebels in zijn portefeuille. Ik wijs voorzichtig naar de bruine smurie op zijn skilat en ga verder met een uitgestreken gezicht : “…mislukt toendraproduct arrogante vuile vieze kozak…”

Ik besef te laat dat het woord kozak er te veel aan is. Igor haalt briesend uit, zwaait met zijn skistok woest achterwaarts in mijn richting. De logica van de zwaartekracht doet hem de das om. Hij pivoreert stuntelig op zijn drolvrije ski. Na een swung van negentig graden gaat Igor eerloos op zijn bek. Ik strompel nog enkele passen achterwaarts buiten zijn bereik. Helga huppelt snel rond het verslagen Russisch varken heen. Samen ploeteren we hand in hand, uitbundig lachend, de helling op met volle besef dat Igor ons op geen enkele manier kan achterhalen.

Een half uur later zitten we in de gezellige gelagzaal van Chalet du Crey slurpend aan een glas hete wijn.


PS : iedere gelijkenis met bestaande personen berust op toeval met uitzondering van Igor, de Rus. Van Maurice zijn we het niet zeker. Mijn dank gaat in de eerste plaats naar mijn controlegeneesheer die mij de toelating gegeven heeft om naar het buitenland te gaan tijdens mijn ziekteverlof. Zonder hem had ik nooit kennis gemaakt met Igor.

16:51 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

23-01-12

ontmoeting in Parijs

 

De stad wordt wakker als een schone slaapster. De portier kijkt amper op wanneer ik het hotel buiten stap. Helga slaapt nog. Parijs, you love it or you love it. Ik kan mij niet voorstellen dat er iemand is die Parijs haat. Schuchtere zonnestralen strijken langs de daken van de gebouwen. Het licht is magisch, grauw nostalgisch.
De oude man trapt tegen de lege fles die tergend langzaam in mijn richting rolt. Ik ontwijk het rinkelend glazen ding dat in een plas water eindigt. Hij duwt het verroeste winkelkarretje met zijn prullen voor zich uit over het bijna verlaten driehoekige plein.

“Je suis le dauphin de la place Dauphine.”Hij neuriet zacht de eerste zin van Dutroncs’ Paris s‘éveille.

Hij kijkt mij doordingend aan. “Vous êtes Belge? Flamand?” Ik heb er geen flauw benul van hoe hij er toe komt te veronderstellen dat ik Vlaming ben. Ik knik bevestigend. “Je suis Leon, Bruxellois. Ik zen a Zinneke, verschtoade mij ?” Ik knik nogmaals. Ik heb er nog gewoond en het sappige Brusselse dialect is mij niet onbekend. Hij kijkt richting nummer 15 op het plein. Hij heeft Simonne Signoret nog gekend, zegt hij. Niet echt persoonlijk maar in betere tijden kwam hij af en toe in Chez Paul waar Simonne geregeld kwam lunchen. Toen was Leon nog een gerespecteerd zakenman die minstens één maal per maand zijn minnares Zalumna meezeulde naar de mystieke lichtstad onbewust van het feit dat zijn vrouw op hetzelfde ogenblik lag te rotzooien met zijn beste vriend en er nog minder van bewust dat zoaijn vraa, zijn vrouw dus, langzaam maar zeer zeker zijn bankrekening leeg haalde.

De Parijse zwerver lijkt me een grappig figuur, Een beetje psychotisch en gevaarlijk onvoorspelbaar. Pratend met struiken en bierblikjes, luid scheldend tegen de onzichtbare. Uitgeteld na één fles goedkope tafelwijn en een paar liter lauw bier. Wat zou Parijs zijn zonder een beetje rauw vuil en blote ellende?

“Ze is verleden jaar gestorven menier." Nee, niet Signoret. Die is al lang dood en begraven. Ligt op Père Lachaise naast haren Yves. Mijn vrouw, Monica, mijnheer. Schuun vraa moar a serpent. Mona. Iedereen noemde haar Mona. Akkoord, ik heb ze bedrogen maar zij heeft mij geruïneerd, gekoeioneerd, vermassacreerd.”

“Ze was van adel menier. Ze had Medici bloed. Monica Lisa di Antonio Gherardini.” Leon keek me doordingend aan toen hij deze naam uitsprak. Ik moest toegeven. Ik had nog nooit gehoord van Monica Lisa di Antonio Gherardini.

“Doet er niet toe.” zei Leon. “Iedereen noemde haar Mona.”

“Ik was verliefd op Mona maar ook op Zalumma. Zij was een Circassische, uit de hoge bergen in het mysterieuze Oosten. Haar volk werd geprezen voor zijn schoonheid en Zalumma - lang als een man, met zwart haar en wenkbrauwen en een gezicht witter dan marmer - was geen uitzondering Haar strakke pijpenkrullen werden gevormd, niet door een hete pook, maar door God. Ze waren de afgunst van elke Florentijnse vrouw. Vaak mompelde ze in zichzelf, in haar moedertaal, dat klonk als geen taal die ik ooit had gehoord, zij noemde het Adyghabza.“

Leon duwt zijn karretje tussen de struiken van de Place Dauphiné. Een gedaante in een slaapzak draait zich om en gromt. Een grauw gezicht kijkt in onze richting en knippert met bloeddoorlopen ogen. Blijkbaar het stilzwijgend signaal dat hij wel op Leons karretje en spullen zou letten.

“Kom!” Ik volg hem. We wandelen richting Pont Neuf en slaan rechts af, de brug over richting Quai François Mitterand. We lopen een eind langs de Seine. Plots zegt Leon: "Wij zijn allen ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overigen zijn insecten." Ik kijk hem vragend aan.

“Eén van mijn geliefde citaten,” reageert hij glimlachend op mijn vragende blik.

Een eind verder ligt het Louvre, rechts van ons. Leon loopt richting Rue Rivoli. Een lange rij wachtende toeristen staat nu reeds ondanks het vroege uur en twee uur voor opening van het museum in de Rue de l’Amiral de Coligny en een eind in de Rue Rivoli. De kop van de slang verdwijnt in de toegang tot de Cour Carré.

"Haat lucht op terwijl liefde vaak opvreet," verbreekt Leon het stilzwijgen. “Ik hield van haar. Ik heb haar geschapen, groot gemaakt, geliefd gemaakt. Akkoord, ik was een flierefluiter maar ik hield van mijn Monica. Ze vrat mij op maar toch hou ik nog steeds van haar.”

Ik reageer met een weinig zeggende “tja.” Wij lopen verder in de richting van een kleine poort ter hoogte van de Rue Marengo, Het blijkt de personeelsingang te zijn. Een gezette vijftiger in maatpak met hemd en das controleert de ingang.

“Bonjours monsieur Leon . Ca va ?”

“Ca va Georges? C’est un copain,” antwoordt Leon zachtjes, bijna fluisterend. De bewaker kijkt in mijn richting over Leons schouder en lacht vriendelijk. In de verte klinkt het klagende drietonige zenuwachtige getoeter van een politieauto.

“Kom,” zegt Leon wenkend met zijn hand. Nu pas merk ik de vele verfresten op zijn hand, voorheen verborgen door de te lange mouw van zijn jas. De metaaldetector piept luid en doordringend als ik er doorheen loop. Ik toon verontschuldigend mijn fototoestel dat ik uit mijn broekzak haal. De dame achter het controlescherm kijkt echter niet op. Verdiept leest zij verder in haar tijdschrift dat mij een Paris Match lijkt. We lopen door verlaten gangen en zalen. Via smalle trappen, een wirwar van bochten, een Alice in Wonderland labyrint, zeult Leon me mee langs een indrukwekkende verzameling beelden van de meest klinkende namen.

“We goan ierst noar de Flamands en d’Hollanders,” hijgt Leon. Ik volg.

Vijf minuten later staan we op de tweede verdieping in de Denon vleugel. Het is er ijzig stil en de rillingen lopen over m’n rug wanneer ik oog in oog sta met Hals, Rembrandt en Vermeer. Leon, de Brusselaar, praat stilletjes met een bewaker, een oud verkreukeld mannetje, bijna onzichtbaar één geworden met het decor. Leon laat me stilletjes genieten. Plots is hij onhoorbaar stilletjes achter me komen staan.

“Kom, we gaan een stappeke verder. Het is tijd, ze wacht op ons,” fluistert hij zachtjes. Leon ontwijkt mijn vragende blik en hervat zijn wedloop door het museum. We lopen naar de eerste verdieping. In ijltempo gaat het langs boeiende werken van Italiaanse kunstenaars, zoals Mantegna, Bellini, Francesco Guardi en Caravaggio. Ik word draaierig wanneer mijn blikken in de Apollo galerij langs de details van een plafondschilderij van Delacroix tollen.

Enkele ogenblikken later staan we aan de ingang van zaal zes. Hij grijpt m’n arm en houdt me tegen. Hij brengt zijn linker wijsvinger aan zijn lippen : “Sssst.”. Hij praat even tegen een zaalwachter die hij aanspreekt met Salai.

Langzaam, bijna op de toppen van zijn voeten loopt Leon de zaal in. Hij wenkt me. Ik moet volgen. In tegenstelling tot de andere zalen zijn de muren hier overwegend kaal. Alle aandacht gaat dan ook naar een relatief klein werk achter glas dat centraal hangt. Ik herken haar uiteraard meteen: Mona Lisa, alias La Gioconda. We lopen tot daar waar een koord bevestigd aan koperen staanders ons tegen houdt.

“Mijn Monica,” zegt Leon. “Iedereen zegt Mona, maar het is Mo-ni-ca.” Hij legt de klemtoon op iedere lettergreep. Leon stapt over de koord daar waar ze bijna tegen de vloer hangt en loopt tot vlak voor het schilderij. Enkele zaalwachters kijken geamuseerd toe. Hun gebrek aan enige reactie doet mij veronderstellen dat het tafereel hen niet ongekend is. Ik blijf eerbiedig op afstand staan. Ik ben wat verward. Een ontmoeting met La Gioconda had ik niet onmiddellijk verwacht. Dus ik heb wat tijd nodig. Ik vind haar allebeshalve knap. Ze lijkt me een arrogante bitch die beseft dat de halve wereld naar het Louvre komt om haar te zien. Ik zet een stap opzij. Haar blik blijft me volgen. Nog een stap, nog één. Ik keer terug. Haar ogen lossen me niet. Haar flauwe glimlach maakt haar ongrijpbaar mystiek. Ik hoor Leon zachtjes praten maar versta geen woord van wat hij zegt. Het lijkt Italiaans maar ik ben er niet zeker van. Ze kijkt niet naar hem, ze kijkt indringend naar mij, probeert me te verleiden. Ik wend mijn blik af

Plots hoor ik geroezemoes achter mij. Geluid van stemmen zwelt aan. In een mum van tijd ben ik omringd door tientallen mensen, overwegend Japanners. Oh’s en ahaa’s vullen de zaal, digitale fototoestellen gaan hoog omhoog over de hoofden van de anderen. Het is negen uur en het Louvre opende zijn deuren. Zaalwachters sakkeren op zij die een flits gebruiken. Ik wring me los uit de massa en loop richting uitgang. De plek voor het schilderij is leeg.

Ik loop naar de zaalwachter die Leon eerder aansprak met Salai, haal mijn beste Frans boven en vraag hem waar monsieur Leon gebleven is. Salai kijkt me apathisch aan. “Monsieur Leon? Connais pas.” Nog nooit van gehoord. Hij keert zich naar de massa voor het schilderij en maant het publiek aan om door te lopen.

Tien minuten later sta ik buiten en nog tien minuten later open ik zachtjes de deur van onze hotelkamer.

“Hoe laat is het?” vraagt Helga met slaperige stem.

 

 

07:43 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |