07-07-11

Aangespoelden

Van Dale omschrijft aanspoelen als ‘aan wal komen drijven’. De term aangespoelden zelf staat niet vermeld in de Dikke, althans niet in mijn editie 1991. Aangespoelden zijn ingeweken kustbewoners. De term hebben die inwijkelingen zichzelf toegeëigend. Ik ben ook een aangespoelden maar mezelf nooit als dusdanig beschouwd. In feite ben ik geen aangespoelden maar een geïmporteerde. Mijn ouders brachten me mee. Ik spreek Ostèns en ik vind aangespoelden die proberen Ostèns te spreken grappig. ‘Wieder sin aangespoelden.’ Mijn aangespoelde moeder spreekt na meer dan vijftig jaar nog steeds geen Ostèns maar haar ‘oet aa muule’ tegen mijn vader vind ik grandioos. Ik zou ze op stang jagen, enkel om haar ‘oet aa muule’ te horen zeggen.

In feite beschouw ik mezelf na al die jaren als een rasechten. Wij rasechten vinden de term aangespoelden niet kwaad bedoeld, eerder iets hebben van: ‘we komen hier wonen omdat we gehoord hebben dat het hier goed is, omdat het hier mindert regent en omdat de zon langer schijnt.’ Of zo iets van: ‘we zijn hier, maar let vooral niet op ons, we zullen niet lastig doen en niemand voor de voeten lopen. Doe maar rustig verder alsof we er niet zijn.’

Met aangespoelden hebben we meestal geen zorgen. Ze lijken op ons. Ze dragen geen hoofddoek en ze gaan niet naar de moskee. Ze trekken hun plan. Ze hebben hooguit een paar honderd kilometer moet reizen om tot hier te geraken. Doorgaans zijn ze blank, in de zomer hoogstens rood verbrand en we hebben weinig problemen om ze te verstaan. We vinden hun Antwerps, Gents of Limburgs zelfs grappig. Zo lang ze niet tegen onze kar rijden is er geen vuiltje aan de lucht. Ze lopen niet in onze weg. Ze komen al jaren op vakantie. Ze kijken zelf met heimwee terug naar het zandforten bouwen en het schelpjes zoeken uit hun kinderjaren. Ze herbeleven hun vakantiekolonietijd. Het feit dat ze hier hun pensioen komen opsouperen is mooi meegenomen, althans voor de middenstanders onder ons. 

Zit er een exemplaar tussen die zich niet wil aanpassen dan komen bij ons de stekels recht. Wij rasechten bakenen ons terrein af. We heffen onze poot op wanneer we beseffen dat een aangespoelde een vreemde is. Een weerbarstige Antwerpenaar komt in het vakje vreemdeling terecht.

 ‘Dat ze schelpen zoeken en zandforten bouwen op het strand van Sint Anneke, verdomme.’ ‘’t Is altijd hetzelfde met al die vreemden!’ ‘Dat ze teruggaan van waar ze komen!’

De aangespoelden Antwerpenaar reageert verontwaardigd en schopt wild om zich heen. ‘Wablieft , ik dikke nek en allochtoon zegt u?’ (van elders afkomstig zegt de Dikke). ‘Ik ben wel Belg hé, geen vreemdeling, geen asielzoeker!’

Lees ik nu in de krant dat er een vrederechter is die in één of andere betwiste zaak stelt: ‘het personeel van de stad Oostende moet wat meer respect hebben voor alle allochtonen van buiten hun stad en dus ook voor Antwerpenaren.’ Meer nog: ‘het feit dat Antwerpenaars als aangespoelden worden omschreven door rasechte Oostendenaars wijst op een gevaarlijke, afglijdende mentaliteit van Wij tegen de rest. Die mentaliteit spreidt een ingeboren afgunst, nijd en minderwaardigheidscomplex tentoon tegenover schijnbaar meerderwaardige en meer ontwikkelde bevolkingsgroepen.’ Moet er nog zand zijn. Vrouwe Justitia die bepaalt in zijn vonnis dat Antwerpenaren meerderwaardig en meer ontwikkeld is dan de kustbewoner. Opeens klinkt aangespoelden niet meer leuk.

 

Juli 2011. Opgedragen aan mijn goeie Antwerpse vrienden Myriam en Luc, noch aangespoelden, noch dikke nekken.

 

 

 

20:14 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-07-11

de gsm van Marcel

De gsm van Marcel

 

Marcel laat zich wegzakken in zijn versleten fauteuil. Kim Clijsters slaat de bal in het net en kijkt onbegrijpend en ontgoocheld in het oog van de camera.  Marcel heeft inmiddels begrepen dat het weinig zin heeft nog dieper weg te zakken in de hoop iets meer op te vangen van Kims stevige dijen.

 

Marcel is niet erg blij met het geschenk van zijn dochter voor zijn zeventigste verjaardag. “Een gsm pa, dan kan je mij altijd bellen als er iets is.” Als er vroeger iets was, dan belde hij nooit naar zijn dochter, waarom zou hij dat nu wel moeten. Hij kan zijn problemen wel zelf oplossen. Daar heeft hij zijn dochter niet voor nodig.

 

‘Wat moet ik in godsnaam op mijn leeftijd nog met een gsm ? Kamiel had er ook één maar die heeft hij per ongeluk in het toilet laten vallen. Jef heeft de zijne verloren en Louis heeft zijn gsm verkocht aan een Marokkaan op de tram voor vijf euro. Madeleine, ja, die zou graag een gsm hebben. Ze loopt hele dagen rond met de afstandsbediening van haar TV tegen haar oor. Stapelzot dat mens. Die van André hebben ze terug moeten afpakken. Zijn zoons vonden het niet leuk dat hij hun erfenis vergooide aan telefoonspelletjes.”

 

Marcel was nog van uit de tijd dat gesprekken via doorgezakte kabels liepen, vastgehecht aan porseleinen potjes bovenaan scheefgezakte bruingeteerde palen. Hij was uit de tijd dat telefoons zwart waren en uit bakeliet vervaardigd. Ze hadden een kiesschijf waar je dikke vingertop wel eens in bleef  vast zitten. In zijn tijd rinkelden de telefoons. Nu maken ze muziek.

 

‘Iedereen heeft vandaag de dag een gsm,’ blijft zijn dochter haar geschenk verdedigen en duwt het toestel in zijn handen.

 

Marcel bekijkt het ding even met argusogen en legt het voor zich op de salontafel. Kim wint een rally en balt de vuist. Marcel geniet.

 

‘Je kunt er ook smsjes mee versturen, berichtjes en foto’s mee nemen.’

 

‘En dan zoals Louis overkwam zeker, uitgemaakt worden voor ouwe zak…’, reageert Marcel.

 

‘Hoe bedoel je ?’, vraagt zijn dochter. Kim slaat een ace. Marcel veert op.

 

‘Louis had laatst een berichtje gestuurd in de aard van ik ‘kom deze avond voor je poes’ naar zijn vriend Kamiel die op uitstap was naar Bobejaanland met de bond van de gepensioneerden. Louis heeft van die dikke vingers en het berichtje is terecht gekomen bij iemand anders die er niet mee kon lachen. Ik weet niet of het daardoor is dat hij zijn gsm verkocht heeft aan die Marokkaan. Ik heb ook dikke vingers.’

 

In beeld verschijnt de wiebelende boezem van Venus Williams die met een oerkreet de bal diep in de hoek speelt. Marcels ogen tintelen. Clijsters komt te laat. Game voor Venus.

 

‘Verdomme,’ mompelt Marcel tussen zijn tanden. Er volgen een pare saaie games. Marcel dommelt eventjes weg. Williams wint de eerste set. Het publiek applaudisseert. Clijsters ploft zich neer in haar plooizetel aan de rand van het court en kijkt dromerig voor zich uit. Het is haar dagje niet en ze voelt de bui hangen.

 

‘Je hoeft niet telkens het nummer in te tikken. Je kan je adressenboek gebruiken. Dan moet je alleen maar de lichtbalk over de namen te laten rollen en op de grote toets te drukken. Kijk, als je naar mij wil bellen dan klik je op Sylvie.’

 

Vanuit een handtas op de tafel klinkt even Lady Gaga. Sylvie verbreekt snel de verbinding. Lady Gaga zwijgt.

 

‘Toon eens,’ reageert Marcel plots erg geïnteresseerd. Hij neemt de gsm en overloopt de alfabetische lijst met namen. De lichtbalk stopt bij Kim. Met zijn  dikke duim duwt hij op de centrale toets en brengt het toestel aan zijn oor.

 

‘Het belt’, zegt hij met pretlichtjes in de ogen.

 

Op hetzelfde moment veegt Kim Clijsters  zich het zweet van haar voorhoofd met een sneeuwwitte grote handdoek. Plots rinkelt er een telefoon. Zo’n echt ouderwets telefoongerinkel komt duidelijk vanuit de grote sporttas naast Clijsters. Een cameraman neemt de tas in close up. Het wordt muisstil in het stadion. Kim kijkt verbaasd, legt de handdoek op de knieën en grijpt naast zich. Ze haalt een roze gsm uit de tas, kijkt even naar het schermpje, duwt op een knop en brengt het ding aan haar oor.

 

‘Marcel ?’, vraagt ze verbaasd.

 

Marcel glundert.

 

Juni 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

14:34 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

22-06-11

Cuba 15 jaar later

Toen ik midden de jaren negentig terugkwam van Cuba, zei ik tegen ieder die het horen wilde: ‘als je ooit nog van plan zou zijn om Cuba te bezoeken, doe het dan nu want eens Fidel er mee kapt krijgen de Amerikanen vrij spel en is alles om zeep’. Cynische figuurlijkheid want in Cuba was op dat moment helemaal geen zeep te vinden.

 

April 2011. Vijftien jaar later, mijn ArkeFly (goedkoop en comfortabel, al zeggen ze het zelf; je hoeft nog net niks extra te betalen voor zuurstofmasker en reddingsvest onder je stoel) vliegtuig landt veilig en wel in Varadero. Ik wou Helga Cuba laten zien vooraleer het te laat was …

 

Fidel besloot de  perestrojka aan zich voorbij te laten gaan en Cuba bleef verweesd achter, gekloot door Amerika en door bijna de rest van de wereld, opgezadeld met Russische antiek in de breedste zin van de betekenis.

 

Na Fidel kwam Raoul en vijftien jaar later hebben ze opnieuw zeep. Niet veel en ze ruikt naar Chinese lotus, maar ze hebben er. Toch blijft het een populair bedelobject. ‘Sabon’ en een wrijfbeweging op de voorarm. Macht der gewoonte waarschijnlijk. Is er wat veranderd behalve het feit dat de vrouwen er niet langer de was hoeven te doen met een papje van de agave wat dan weer voor brandwonden zorgde aan hun handen ? In Havana zijn de camello bussen verdwenen. De dollar hebben ze ingeruild voor de cuc, de peso convertible. De Lokorolo fluit nog steeds zijn liedje. Ché zie je nog op alle hoeken van de straat. Cuba Libre is nog steeds op basis van rum en cola. Hemingway maakt nog altijd reclame voor daiquiri en mojito. Hier rijden meer Amerikaanse oldtimers rond dan waar ook. Je vraagt je af waar ze ze blijven halen.

 

De Buena Vista Social Club levert nog steeds de sound in Havana. Hun stek hebben ze nog altijd aan de Plaza Vieja. Het ouwe mannetje zingt er nog altijd over zijn tandloze obesitastante, één van de laatsten die de sigaren rolde over haar enorme vlezige dijen. Het zal jouw sigaar maar zijn. Tussen haakjes, Cohiba, Montechristo en Romeo y Julieta zijn nog steeds de sigaren die het doen.

 

De kogelgaten in de muren van de Moncada kazerne in Santiago de Cuba zijn nep maar dat waren ze vijftien jaar terug ook al. In de Valle de los Ingenios aan de voet van de Sierra de l’Escambray galopperen de boeren nog steeds op hun kleine snelle paardjes, strohoed en machette aan de riem inclusief.

 

In Cienfuegos is de charismatische Maria del Carmen Iznaga Guillén – die beweert dat ze de nicht is van de bekende Cubaanse dichter Nicolàs Guillén - nog steeds een attractie. Deze plaatselijke diva – wiens leeftijd een groot geheim is – de kruising tussen Josephine Baker en La Esterella beiden zaliger – krijst nog steeds haar liedjes in het Palacio del Valle. Ze slaat nog altijd – af en toe herkenbare flarden – muziek op de vleugelpiano die voor het laatst gestemd werd toen Fidel Castro nog op de lagere school zat.

 

De Cubaan is nog steeds volgzaam en gedisciplineerd. Waar stopt men in hemelsnaam steevast voor een onbewaakte spoorwegovergang, louter en alleen omdat er een verroest bord met PARE staat, wetende dat daar in jaren geen trein meer voorbijkwam.

 

Bimbo’s heten hier mango’s maar je ziet nog steeds geen smsende en gsmende jongeren. Ze praten nog rechtstreeks met elkaar. Hun iPod heeft nog de vorm van een transistorradio. Voordeel: iedereen kan meeluisteren en zo’n ding stop je zo maar niet in je oren

 

Maar David blijft vechten. Het cordon sanitair vertoont barsten. Er is ruimte voor individueel initiatief. Casa particular en paladar deden hun intrede. De vroegere staatswinkels waar bijna niks te krijgen was en is, kregen concurentie. Kapitalisme binnen het socialisme. Marx draait zich om. Raoul belooft nog meer veranderingen. De Cubaan gelooft hem maar zegt ‘verémos’, we zullen zien.

 

Cuba op een steenworp van onbeperkt internet, twitter en facebook. Hoe breng je een Cubaan aan het verstand dat dit niks te maken heeft met verandering. Dus als je ooit nog van plan bent om Cuba te bezoeken, doe het dan nu.

 

08:45 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |