16-07-11

Verdraagzaamheid

Verdraagzaamheid

Als iedereen verdraagzaam is, hoeft er in feite ook niets meer verdragen te worden, een leuke uitspraak van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans. Een mens stelt zich soms de vraag hoe het komt dat men onverdraagzaam is, waarom men zich ergert aan iets. Ben ik abnormaal als ik onverdraagzaam ben? Is het een ziekte? Ben ik geestelijk gestoord? Soms heb ik de indruk dat er zijn die ons dit willen laten geloven.

Wij dus op zoek naar een definitie voor de term ‘onverdraagzaam’. Van Dale schrijft: niet verdraagzaam, intolerant. Nu, aan zulke dwaze uitleg ‘erger’ ik me dood. De Dikke doet het beter bij het woord ‘verdraagzaam’: het verdragen van zaken die ergernis zouden kunnen veroorzaken….

Van Dale erkent dus dat er zaken zijn die ergernis zouden kunnen veroorzaken gezien hij de mogelijkheid biedt ze te verdragen. Volgens Van Dale is het dus niet a priori verkeerd van onverdraagzaam te zijn en gelijk heeft hij. Verdragen omschrijft hij dan weer als dulden, ondergaan. Waaruit men dan weer moet afleiden dat hij die verdraagzaam is, zijn ergernis onderdrukt.

Wie kuist graag de stront op die de hond van de buur heeft achtergelaten op zijn voetpad? Een vuile vettige vieze stinkende drol vlak voor je deur is ontegensprekelijk iets wat ergernis zou kunnen veroorzaken. Iemand die daar anders over denkt is in mijn ogen een oetlul of de eigenaar van die hond. Als ik die ergernis niet verdraag en die hond een stamp tegen zijn kloten geef, ben ik dus onverdraagzaam, een te mijdengeestesgestoorde paria en dierenbeul die niet thuis hoort in deze maatschappij en gegarandeerd een plaats verdien op de zwarte lijst van GAIA. Akkoord, die stamp was er te veel aan.

Wanneer ik tegen een moslima met een burka of nikab zeg dat ze mooie ogen heeft en het volgende moment een peer op mijn bakkes krijg van haar man, wie is er dan onverdraagzaam ?

Ooit hield een muur de Oostblokkers tegen. De term asielzoekers bestond nog niet. Negertjes kwamen steevast uit Kongo en in Oostende hoorde je alleen Ostèns en af en toe Engels want de enige vreemdelingen waren Engelse toeristen. Wanneer ik vandaag de dag door Oostende loop en me afvraag hoe men er zal in slagen om de onafwendbare multiculturaliteit en mondialisering in goede banen te leiden, frons ik wel eens de wenkbrauwen. Mijn wenkbrauwen fronsen staat niet gelijk met me ergeren. Gezien ik me niet erger, moet ik ook geen ergernis onderdrukken. Gezien ik geen ergernis moet onderdrukken heeft kan men mij geen onverdraagzaamheid verwijten tegenover al dat geïmporteerde couleur local.

Verdraagzaamheid gebruiken om mijn visie over multicultuur met onverdraagzaamheid gelijk te stellen en om de vrije uiting van meningen in te perken, is een onrecht zo hoog als de eifeltoren.

Ik krijg er het schijt van als men onverdraagzaamheid in één adem vernoemt met racisme. Dat is wat multiculturalisten ons met hun K3 kinderpopsong willen doen geloven : verdraagzaam zijn! verdraagzaam zijn! Laat het duidelijk zijn: een racist is onverdraagzaam maar een onverdraagzame is niet noodzakelijk een racist. Doe niet zo moeilijk. Wie heeft er nu last van zo’n hoofddoekje in de klas? Een moslima met strakke jeans, hoge hakken en een trendy hoofddoek, wie heeft daar problemen mee? Ik alvast niet. Ik stoor me er niet aan. Ik heb niks tegen Ahmed en Ali voor zover ze de stront van hun hond voor mijn deur opkuisen.

Tussen haakjes: Hoe noemt men iemand die niet kan verdragen dat een ander individu een mening heeft over iets en hem zegt : ‘jij bent onverdraagzaam’?

Juli 2011

08:52 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-07-11

Aangespoelden

Van Dale omschrijft aanspoelen als ‘aan wal komen drijven’. De term aangespoelden zelf staat niet vermeld in de Dikke, althans niet in mijn editie 1991. Aangespoelden zijn ingeweken kustbewoners. De term hebben die inwijkelingen zichzelf toegeëigend. Ik ben ook een aangespoelden maar mezelf nooit als dusdanig beschouwd. In feite ben ik geen aangespoelden maar een geïmporteerde. Mijn ouders brachten me mee. Ik spreek Ostèns en ik vind aangespoelden die proberen Ostèns te spreken grappig. ‘Wieder sin aangespoelden.’ Mijn aangespoelde moeder spreekt na meer dan vijftig jaar nog steeds geen Ostèns maar haar ‘oet aa muule’ tegen mijn vader vind ik grandioos. Ik zou ze op stang jagen, enkel om haar ‘oet aa muule’ te horen zeggen.

In feite beschouw ik mezelf na al die jaren als een rasechten. Wij rasechten vinden de term aangespoelden niet kwaad bedoeld, eerder iets hebben van: ‘we komen hier wonen omdat we gehoord hebben dat het hier goed is, omdat het hier mindert regent en omdat de zon langer schijnt.’ Of zo iets van: ‘we zijn hier, maar let vooral niet op ons, we zullen niet lastig doen en niemand voor de voeten lopen. Doe maar rustig verder alsof we er niet zijn.’

Met aangespoelden hebben we meestal geen zorgen. Ze lijken op ons. Ze dragen geen hoofddoek en ze gaan niet naar de moskee. Ze trekken hun plan. Ze hebben hooguit een paar honderd kilometer moet reizen om tot hier te geraken. Doorgaans zijn ze blank, in de zomer hoogstens rood verbrand en we hebben weinig problemen om ze te verstaan. We vinden hun Antwerps, Gents of Limburgs zelfs grappig. Zo lang ze niet tegen onze kar rijden is er geen vuiltje aan de lucht. Ze lopen niet in onze weg. Ze komen al jaren op vakantie. Ze kijken zelf met heimwee terug naar het zandforten bouwen en het schelpjes zoeken uit hun kinderjaren. Ze herbeleven hun vakantiekolonietijd. Het feit dat ze hier hun pensioen komen opsouperen is mooi meegenomen, althans voor de middenstanders onder ons. 

Zit er een exemplaar tussen die zich niet wil aanpassen dan komen bij ons de stekels recht. Wij rasechten bakenen ons terrein af. We heffen onze poot op wanneer we beseffen dat een aangespoelde een vreemde is. Een weerbarstige Antwerpenaar komt in het vakje vreemdeling terecht.

 ‘Dat ze schelpen zoeken en zandforten bouwen op het strand van Sint Anneke, verdomme.’ ‘’t Is altijd hetzelfde met al die vreemden!’ ‘Dat ze teruggaan van waar ze komen!’

De aangespoelden Antwerpenaar reageert verontwaardigd en schopt wild om zich heen. ‘Wablieft , ik dikke nek en allochtoon zegt u?’ (van elders afkomstig zegt de Dikke). ‘Ik ben wel Belg hé, geen vreemdeling, geen asielzoeker!’

Lees ik nu in de krant dat er een vrederechter is die in één of andere betwiste zaak stelt: ‘het personeel van de stad Oostende moet wat meer respect hebben voor alle allochtonen van buiten hun stad en dus ook voor Antwerpenaren.’ Meer nog: ‘het feit dat Antwerpenaars als aangespoelden worden omschreven door rasechte Oostendenaars wijst op een gevaarlijke, afglijdende mentaliteit van Wij tegen de rest. Die mentaliteit spreidt een ingeboren afgunst, nijd en minderwaardigheidscomplex tentoon tegenover schijnbaar meerderwaardige en meer ontwikkelde bevolkingsgroepen.’ Moet er nog zand zijn. Vrouwe Justitia die bepaalt in zijn vonnis dat Antwerpenaren meerderwaardig en meer ontwikkeld is dan de kustbewoner. Opeens klinkt aangespoelden niet meer leuk.

 

Juli 2011. Opgedragen aan mijn goeie Antwerpse vrienden Myriam en Luc, noch aangespoelden, noch dikke nekken.

 

 

 

20:14 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-07-11

de gsm van Marcel

De gsm van Marcel

 

Marcel laat zich wegzakken in zijn versleten fauteuil. Kim Clijsters slaat de bal in het net en kijkt onbegrijpend en ontgoocheld in het oog van de camera.  Marcel heeft inmiddels begrepen dat het weinig zin heeft nog dieper weg te zakken in de hoop iets meer op te vangen van Kims stevige dijen.

 

Marcel is niet erg blij met het geschenk van zijn dochter voor zijn zeventigste verjaardag. “Een gsm pa, dan kan je mij altijd bellen als er iets is.” Als er vroeger iets was, dan belde hij nooit naar zijn dochter, waarom zou hij dat nu wel moeten. Hij kan zijn problemen wel zelf oplossen. Daar heeft hij zijn dochter niet voor nodig.

 

‘Wat moet ik in godsnaam op mijn leeftijd nog met een gsm ? Kamiel had er ook één maar die heeft hij per ongeluk in het toilet laten vallen. Jef heeft de zijne verloren en Louis heeft zijn gsm verkocht aan een Marokkaan op de tram voor vijf euro. Madeleine, ja, die zou graag een gsm hebben. Ze loopt hele dagen rond met de afstandsbediening van haar TV tegen haar oor. Stapelzot dat mens. Die van André hebben ze terug moeten afpakken. Zijn zoons vonden het niet leuk dat hij hun erfenis vergooide aan telefoonspelletjes.”

 

Marcel was nog van uit de tijd dat gesprekken via doorgezakte kabels liepen, vastgehecht aan porseleinen potjes bovenaan scheefgezakte bruingeteerde palen. Hij was uit de tijd dat telefoons zwart waren en uit bakeliet vervaardigd. Ze hadden een kiesschijf waar je dikke vingertop wel eens in bleef  vast zitten. In zijn tijd rinkelden de telefoons. Nu maken ze muziek.

 

‘Iedereen heeft vandaag de dag een gsm,’ blijft zijn dochter haar geschenk verdedigen en duwt het toestel in zijn handen.

 

Marcel bekijkt het ding even met argusogen en legt het voor zich op de salontafel. Kim wint een rally en balt de vuist. Marcel geniet.

 

‘Je kunt er ook smsjes mee versturen, berichtjes en foto’s mee nemen.’

 

‘En dan zoals Louis overkwam zeker, uitgemaakt worden voor ouwe zak…’, reageert Marcel.

 

‘Hoe bedoel je ?’, vraagt zijn dochter. Kim slaat een ace. Marcel veert op.

 

‘Louis had laatst een berichtje gestuurd in de aard van ik ‘kom deze avond voor je poes’ naar zijn vriend Kamiel die op uitstap was naar Bobejaanland met de bond van de gepensioneerden. Louis heeft van die dikke vingers en het berichtje is terecht gekomen bij iemand anders die er niet mee kon lachen. Ik weet niet of het daardoor is dat hij zijn gsm verkocht heeft aan die Marokkaan. Ik heb ook dikke vingers.’

 

In beeld verschijnt de wiebelende boezem van Venus Williams die met een oerkreet de bal diep in de hoek speelt. Marcels ogen tintelen. Clijsters komt te laat. Game voor Venus.

 

‘Verdomme,’ mompelt Marcel tussen zijn tanden. Er volgen een pare saaie games. Marcel dommelt eventjes weg. Williams wint de eerste set. Het publiek applaudisseert. Clijsters ploft zich neer in haar plooizetel aan de rand van het court en kijkt dromerig voor zich uit. Het is haar dagje niet en ze voelt de bui hangen.

 

‘Je hoeft niet telkens het nummer in te tikken. Je kan je adressenboek gebruiken. Dan moet je alleen maar de lichtbalk over de namen te laten rollen en op de grote toets te drukken. Kijk, als je naar mij wil bellen dan klik je op Sylvie.’

 

Vanuit een handtas op de tafel klinkt even Lady Gaga. Sylvie verbreekt snel de verbinding. Lady Gaga zwijgt.

 

‘Toon eens,’ reageert Marcel plots erg geïnteresseerd. Hij neemt de gsm en overloopt de alfabetische lijst met namen. De lichtbalk stopt bij Kim. Met zijn  dikke duim duwt hij op de centrale toets en brengt het toestel aan zijn oor.

 

‘Het belt’, zegt hij met pretlichtjes in de ogen.

 

Op hetzelfde moment veegt Kim Clijsters  zich het zweet van haar voorhoofd met een sneeuwwitte grote handdoek. Plots rinkelt er een telefoon. Zo’n echt ouderwets telefoongerinkel komt duidelijk vanuit de grote sporttas naast Clijsters. Een cameraman neemt de tas in close up. Het wordt muisstil in het stadion. Kim kijkt verbaasd, legt de handdoek op de knieën en grijpt naast zich. Ze haalt een roze gsm uit de tas, kijkt even naar het schermpje, duwt op een knop en brengt het ding aan haar oor.

 

‘Marcel ?’, vraagt ze verbaasd.

 

Marcel glundert.

 

Juni 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

14:34 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |