13-09-12

de heilige Cellulitis

 

cellulitis 3.jpg

 

Zij die me wat beter kennen en dat zijn er niet zo echt veel, weten dat ik schilder en schrijf. Wat dat schilderen betreft, dat doe ik nu toch al bijna twintig jaar, ben ik tot de slotsom gekomen dat ik niet voor m’n dood beroemd zal worden. Let wel, ik lig er niet wakker van. De wereld loopt vol met mensen die dood gaan zonder beroemd te worden en zij die beroemd worden gaan toch ook dood. Wat dat betreft, voor mij dus geen probleem. Ik heb bovendien te weinig tijd om beroemd te zijn. Neen, ik maak me meer zorgen om zij die nog voor m’n dood, m’n werk van de hand zouden doen of zouden weg gooien. Ik zou eerlijk gezegd niet in hun schoenen willen staan. Voor de velen die mij dus niet kennen, ik schilder vrouwen, overwegend vrouwen, mooie vrouwen. Let wel, ik heb niks tegen lelijke vrouwen maar ik vind dat, als je toch vrouwen schildert, je beter mooie vrouwen kunt schilderen. Dat is uiteraard mijn strikt persoonlijke visie. Er zijn anderen. Picasso schilderde lelijke vrouwen. Beter gezegd, hij schilderde mooie vrouwen lelijk. Dora Maar was een mooie vrouw. De Nederlander Willem de Kooning heeft het op één na duurste schilderij op zijn naam staan. De Rotterdammer koos ervoor om een vrouw te vereeuwigen, en wat voor één. Of ze was enorm lelijk of hij heeft haar in zijn kleutertijd geschilderd. Zijn Woman III bracht 137,5 miljoen dollar in het laatje. Rubens schilderde dikke vrouwen. Ik kan Pieter Paul wel waarderen wat het technische aspect betreft. Inhoudelijk vind ik hem een stuk minder. Grote memmen schilderen en dikbillen zonder cellulitis vind ik schijnheilig en een aanfuiting van de realiteit. Dat veel van zijn werken in kerken hangen zal er wel mee te maken hebben. De kerk houdt niet van cellulitis. Zo veel is duidelijk. Cellulitis is taboe in de kerk. Er zijn wel meer dingen taboe in de kerk maar de mantel der liefde dekt veel toe, ook cellulitis. Ooit een non gezien met cellulitis? Neen? Ik ook niet. Alhoewel ze bestaan. Het kan niet anders. Maar het bestaan van cellulitis werd door het Vaticaan nooit officieel erkend. Cellulitis erkennen zou beteken dat er onder de rokken wordt gekeken en als er één iets is dat het Vaticaan nooit zal toegeven, is dat er onder de rokken wordt gekeken. Ik weet het, het Vaticaan erkent niet veel en het Vaticaan geeft weinig toe.

 

De eerste die aan de alarmbel trok was paus Johannes Paulus I. Deze bladerde wel eens in een vies boekje met vieze foto’s en kwam aldus achter het bestaan van cellulitis. De foto’s in zijn boekjes waren puur natuur. Photoshop bestond nog niet in 1978. Deze goedlachse, modern van geest zijnde paus, ging te rade bij drie van zijn vriendinnen: Sophia Loren, Claudia Cardinale en moeder Theresa. Johannes Paulus I kwam tot de slotsom dat cellulitis ongekend was in de hogere wereldlijke en kerkelijke kringen. Gezien er ook geen enkele aanwijzing was dat Eva – je weet wel, die van Adam - cellulitis zou hebben gehad, was een goddelijke fout in de creatie van de menselijke figuur uitgesloten. Daarmee was de kous af. Cellulitis blijkt veelal een vrouwenprobleem. Mannen hebben dan weer last van een verschrompelende balzak maar dat is een ander verhaal.

 

Ik weet niet of het één met het ander te maken heeft, maar Johannes Paulus I stierf in verdachte omstandigheden na een pontificaat van slechts 33 dagen. Kwade tongen beweren dat Sophia Loren gezien werd in zijn privé vertrekken, de avond van zijn dood. Anderen, meer conservatieven, houden het bij moeder Theresia.

 

De aandachtige lezer zal inmiddels al begrepen hebben dat mijn voorkeur om mooie vrouwen te schilderen, zich verder zet in mijn schrijfsels.

 

 

 

13:21 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

09-09-12

De rattenstoet

rattenstoet.jpgHet regent zachtjes. Een onrustig wolkenspel werpt zijn schaduw over het donkere kabbelende water van het dok. Vissersboten dansen op en neer. Netten wuiven flauw over de roestige balustrades. Een ouwe visser herstelt geduldig een gescheurd net. Een weeë rottige visgeur waait op. Mosselschelpen kraken onder de voeten. Gedroogd zeewier kleeft aan de stenen borders.

Tegen de muur van vistrap, tussen wat bennen, ligt een man op de grond te slapen. Een vettige druiperige haarlok kleeft tegen zijn voorhoofd. ‘Vesche vis, vesche gernoazen’, roept een vissersvrouw met rauwe stem. Ze duwt haar stootkat een eind vooruit. De houten wielen ratelen.

De carnavalstoet nadert de Visserskaai. Kleurige wapperende linten zitten strak gebonden rond de poten van de meeuwen die krijsend fladderen boven het hoofd van het bange kind. Het zwaait wild met zijn armpjes om de vogels te verjagen. Maar de monsters met hun valse, gele ogen blijven terugkomen, happend naar stinkende visresten op de kaai.

Schreeuwerige, dronken, maskers springen op en neer. Ze roepen, huilen, tieren. Een grijnzend bakkes komt vlakbij. Het bange kind verbergt zijn gezichtje angstig in de plooien van de lange rok. Rauw eentonig geroffel nadert langzaam de plek waar de moeder en haar kind staan. Paardenhoeven kletteren over de gladde kasseien. De versierde kar piept en kraakt. Het volk doet een paar stappen achteruit. Een hoer met een gigantische reet – ze lijkt op een wandelende bijzettafel met geverfde poten - waggelt op haar hoge hakken en valt. Mensen lachen. Vissersvrouwen dansen om haar heen. Hun houten klompen klossen ritmisch over de straatstenen. Belletjes rinkelen speels. Een man trekt het dronken wijf recht. Ze wrijft even over haar bezeerde knie en steekt haar armen uit naar het bange kind. De moeder neemt het wenende jongetje op haar arm. Hij schopt wild om zich heen om uit de vadsige klauwen van het krijsende del met haar felrode lippen en koolzwarte wimpers te blijven. Iemand duwt haar weg.

De getrommel is nu vlakbij. Het geroffel wordt oorverdovend. Het overtreft de tierende en schreeuwende stemmen van de joelend, knokkende en vloekende bende kinderen die rotte viskoppen op de straat gooien. Vechtende meeuwen pikken schaamteloos tussen de benen door van de trommelaars. Goor vies sop sijpelt tussen de kasseien. Reuzengrote ratten dansen en zwiepen met hun staarten. Het volk juicht en lacht.

Het wordt de moeder te veel. Ze wringt zich los uit de opdringerige massa en loopt verder met het kind op de arm, richting kursaal. Op de dijk zet ze het jongetje op de grond. Het weent niet meer, neemt de hand van zijn moeder en trekt haar weg, verder weg van het rauwe gewoel. Op de hoek van het Wapenplein en de Kapellestraat staat een straatventer met een ezeltje. De man verkoopt lavendel. Hij stopt wat geurende zaadjes in het uitgestoken kinderhandje. Het kind lacht verlegen. Het heeft opgehouden met regenen wanneer ze aan het bloemenuurwerk komen. De bronzen vis spuit het water in een boog omhoog.

M’n moeder opent haar tas en houdt me een papieren broodzak voor. De eenden happen gretig naar de korsten die ik hen toegooi. Enkele krijsende meeuwen komen te laat. We wandelen naar huis.

Oostende april 1958, juli 2012.

11:12 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

30-08-12

Ze hebben me vandaag voor de zoveelste keer bij mijn kloten gehad

treinvertraging 3.jpgZe hebben me vandaag voor de zoveelste keer bij mijn kloten gehad. Beschouw me gerust een ezel die niet twee maar reeds ontelbare keren over diezelfde steen is gestruikeld. Ze en naam van de steen: NMBS, Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. Dit ter verduidelijking van de gelukkige zielen die zich nog nooit hebben laten verleiden door de slogan: met de trein zou je er al zijn. Met de trein zou je er al zijn, één van de meest redicule slogans ooit gelanceerd. Er zijn zal je met de trein wel ooit. Op tijd nooit.

“Aandacht, aandacht, de trein met bestemming Knokke Blankenberge van zeventien uur éénentwintig, heeft een vermoedelijke vertraging van tien à vijftien minuten. Gelieve ons hiervoor te willen verontschuldigen.” Zucht. De NMBS heeft zich tegenover mij in de loop der jaren al een paar honderd keren verontschuldigd. Nog nooit heb ik hun verontschuldigingen aanvaard. Ik aanvaard geen goedkope excuses.

Misschien juist daarom dat ze me blijven kloten, jaren lang. Klokvast zeggen ze. Het enige dat klokvast staat is dat ze nooit op tijd zijn. Soep en patatten koud als je thuis komt. Het is nu zo en het was zo ook al in de jaren tachtig toen ik nog in Brussel werkte. Dertig jaar lateris er nog geen zak veranderd.

In Brussel werken terwijl je in Gistel woont is geen geschenk. Nu niet in indertijd ook niet. De eerste twintig minuten van de dag heb je volledig zelf in de hand. Het ritueel van het stille vloeken bij het rinkelen van de klotewekker, het gestrompel naar de WC gevolgd door anderhalve minuut gekletter in de pot – mijn record was twee minuten vierentwintig seconden. Vluchtig slaap- en zweetgeuren wegspoelen in de badkamer, een vluchtige zoen aan Bart en Els. Mijn lippen branden aan de snelle slok gloedhete koffie. Gezeik op de radio waar een slaapdronken vrouw komt uitleggen dat azalea’s vanaf nu het ganse jaar kunnen gekweekt worden. Daar zat het ganse land op te wachten. De toekomst van België, kweek azalea’s. Twee boterhammen met kaas in aluminium folie en vanaf dat moment heb je het niet meer zelf in de hand. Je hoopt dat die verrekte auto start wat niet evident is. Ik bedoel, het gebeurt niet altijd, meestal start hij wel maar soms ook niet. Vandaag dus wel. Je rijdt als een gek naar het station in Brugge waar je hoopt op dichte parkeerplaats wat weeral niet evident is. Niet omdat er te weinig parkeerplaatsen zijn maar wel omdat zo veel mensen uitgerekend op hetzelfde moment naar datzelfde verrekte station rijden om er dezelfde verrekte trein te nemen om naar verrekte Brussel te pendelen.

Je rent als een gek naar die verrotte trein waarvan je hoopt dat hij er niet staat – maar waarom zou hij er niet staan – hij staat er iedere rotdag. Moest hij er niet staan dan heb je uiteindelijk wel een probleem. Je rent niet alleen. Tientallen slaapsmoelen rennen met je mee. Je stoot er een paar aan die voor je voeten lopen. Je vloekt. Voor verontschuldigingen is er binnen deze klotemassa geen plaats. Ieder voor zich. Eentje laat zijn krant vallen. Je schopt hem een eind verder.

Je hoopt dat er  een knappe vrouw tegenover je komt zitten maar welke knappe vrouw neemt er nu ’s morgens om zes uur die verrekte trein naar dat verrekte Brussel? Mooie vrouwen liggen op dat moment nog in hun bed. Mooie vrouwen nemen de trein van acht uur, of die van negen uur. ’s Morgens vroeg leg ik de lat doorgaans niet erg hoog wat schoonheid betreft maar er zitten geen mooie vrouwen op de trein van zes uur. Laat dat voor iedereen duidelijk zijn.

Doorgaans zit je tegenover een kerel met het gezicht van een afgeleefde kakkerlak met eindbestemming één of ander ministerie waar hij uitblinkt in afgestompte nutteloosheid. Hij heeft ooit geprobeerd het tegenovergestelde te bewijzen op deze trein maar geen kat die hem ernstig nam. Of je kijkt anderhalf uur op de mislukte-make-up-smoel van een op de vooravond-van-haar-pensioen-verkerend, zo dik als een drachtige koe, over haar idiote brilletje glurend, wijf. Je hoopt dat ze deze keer haar mond houdt en haar klappperend gebit niet voor je voeten uit haar mond valt zoals vorige week. Uiteraard en dat is nu het meest spijtige aan treinreizen: je kunt je gezelschap niet kiezen. Af en toe zit er een student op de trein, zo één met heel vet haar. Van dat haar waar je een dozijn eieren op kan bakken en dan nog genoeg over hebt voor de frituurpan. Normaal zie je geen studenten op de trein van zes. Doorgaans, zeker na een nacht zuipen, slapen studenten nog om zes uur.

Met een beetje geluk heb je een plaatsje tegen het raam. Niet dat het stomme landschap tussen Brugge en Brussel je een fluit interesseert. Je hebt het al honderden keren voorbij zien glijden, monotoon, grijs, grauw. Het enige dat verandert zijn de koeien en koeien interesseren me niet. Neen, met een plaatsje tegen het raam hoef je je hoofd niet tegen de schouder van je buur te leggen om te slapen. Want je slaapt op de trein. Wat zou je anders doen met al die oenen rond je. Ten andere, bijna iedereen slaapt. Behalve die twee lelijke tortelduiven die de godganse tijd, van Brugge tot Brussel, elkaars oren zitten uit te lekken. Zij, als ze loopt, draait met haar kont als een wilde eend die een lading hagel in haar reet heeft gekregen. Hij, een verschrompeld knulletje met een debiel brilletje op z’n grote neus.

In Gent moet iedereen wakker, willen of niet. In Gent stormt een meute verse slaapsmoelen de trein op. Ze duwen, trekken, persen, trappelen, struikelen, vloeken. Allemaal willen ze die paar luttele, schele, resterende plekjes innemen en zo vlug mogelijk verder slapen.  Zij die  in Gent er af willen moeten geweld gebruiken. Zo niet wordt Brussel Zuid voor hen de eerstvolgende halte. Met een beetje geluk krijg je geen Gentenaar naast je. Niet omdat ze stinken of een groot bakkes hebben – alhoewel ze dat doorgaans wel hebben, wat in bepaalde omstandigheden wel leuk is, maar niet op een trein om zeven uur ’s ochtends. Neen, ik verfoei Gentenaars om de eenvoudige reden dat Gentenaars minstens drie kwart uur langer in hun bed hebben kunnen liggen dan ik. Het is doorgaans ook omdat een Gentenaar van zijn kloten maakt tegen de conducteur omdat hij al voor de vierde keer deze week moet rechtstaan terwijl hij betaald heeft voor een zitplaats, dat de trein met vertraging toekomt in Brussel. Zoete wraak van de conducteur maar eindresultaat is weeral rennen. Rennen door de groezelige, gore, naar zeik stinkende gangen die van het Centraal station richting Koningsstraat en dan verder naar de Rue de la Croix de Fer. De rest heb ik weeral niet meer in de hand. Na acht uren gezeik, problemen, vreemdelingen en illegalen – ja toen ook al – rennen naar het Centraal Station. Zeventien uur tien. Je hebt nog elf minuten. Het rennen gaat iets makkelijker dan ‘s ochtends want nu gaat het bergaf. In feite ren je enkel uit pure gewoonte. Ook omdat iedereen rent. Iedereen rent naar een trein die toch nooit op tijd is. Maar je weet maar nooit, dus rennen en hopen dat het vandaag warme soep zal worden.

Vandaag dus, dertig jaar later, na een klotenvergadering in Brussel waarbij ik de helft van de tijd geslapen heb, op een drafje naar het Centraal Station. Spoor 4 vind ik nog met de ogen dicht. Hijgend ren ik de trappen af.

“Aandacht, aandacht, de trein met bestemming Knokke Blankenberge van zeventien uur éénentwintig, heeft een vermoedelijke vertraging van tien à vijftien minuten. Gelieve ons hiervoor te willen verontschuldigen.”

16:01 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |