01-12-12

Ontmoeting op de luchthaven van Xiamen

minirok.jpg 

Het is druk op de luchthaven van Xiamen. Mijn vlucht naar Amsterdam Schiphol vertrekt over anderhalf uur. Ik heb een hekel aan luchthavens, vooral aan drukke luchthavens. Ik heb nog meer een hekel aan Chinese luchthavens. Ik krijg er het schijt van dat spleetogen me over een afstand van welgeteld drie meter, drie keer mijn boardingpass vragen, telkens ik die net terug weggeborgen heb.

De geur van zure zeik in het toilet doet me walgen. Ik hou mijn adem in terwijl ik plas. Probeer maar eens je adem lang genoeg in te houden terwijl je een volle pisblaas leegt. Ben ik toch gemiddeld twee minuten mee bezig.

Op een Chinese luchthaven valt er veel te beleven, als je van kitch en veel lawaai houdt. Ik hou niet van kitch en nog veel minder van drukte. Om de haverklap galmen de meest irritante onverstaanbare klanken door krakende luidsprekers, af en toe gevolgd door wat Engels gewauwel waar ik niks van versta. Niet omdat ik geen Engels versta, maar omdat tien meter verder een troep Chinese vrouwen staat te janken en te krijsen als een meute verkrachte kattinnen. Chinezen praten niet, Chinezen produceren kreten.

Ik probeer wat te lezen in de boardingruimte op één van de keiharde plastiek stoelen. Al op gelet? Stoelen op een luchthaven zijn altijd keihard. Althans de stoelen voor economy reizigers, zoals ik. Economy reizigers, de armoezaaiers onder de luchtvaartpassagiers. Ik vind trouwens de discriminatie in het luchtvaartgedoe verregaander dan het wit-zwart gebeuren in Zuid Afrika.

De airco doet het niet. Een paar stoeltjes verder zit een Chinese schone, althans naar Chinese normen. Chinezen behoren wat mij betreft tot de lelijkste mensen die op onze aardkloot rondlopen. Het percentage Chinese schones ligt bedroevend laag. Als ik dus praat over een Chinese schone, gaat het om een zeldzaam exemplaar. Niet dat ik veel interesse heb in mooie Chinese meiden. Wat doe je er mee? Je mag ze niet zo maar uitvoeren. Je kunt ze bij ons misschien kwijt in een Chinees restaurant. Er eentje in huis nemen zou ik niet aanraden. Ze maken lawaai, veel lawaai. Ze janken en gillen als speenvarkens met maagkrampen. Mijn moeder heeft me trouwens steeds op het hart gedrukt: “Jongen, kom alsjeblieft niet naar huis met een Chinese.” Gehoorzaam als ik was, ben ik met verschillende vrouwen naar huis gekomen, maar nooit met een Chinese.

Ze houden er van om op hoge hakken te lopen. Lopen is veel gezegd. Veelal huppelen. Met hun hoog anorexiagehalte en hun magere spillebeentjes lijken ze eerder waggelende reigers met gescheurde meniscussen op hun vaak te grote naaldhakken. Chinese bimbo’s die wankelend flaneren met flubberende fluo nylons rond hun magere knoken.

De Chinese schone een eind verder is duidelijk van een ander kaliber. Ik schat haar eind in de twintig. Ze draagt een zwarte minirok en heeft mooie benen. Haar nylons flubberen niet en haar naaldhakken zijn geen twee maten te groot. Enig minpunt, haar schoenen zijn felroze. Ik hou niet van felroze. Ik hou helemaal niet van roze. Roze is voor mietjes. Let wel, ik heb niks tegen mietjes maar wel iets tegen mietjes die roze dragen. Mietjes die roze dragen maken me depressief. Ze heeft een leuk gezichtje en een prima lichaam. Een dodelijke cocktail. Ze voelt mijn blik op haar gericht en kijkt me aan vanuit haar ooghoeken. Ik glimlach. Ze glimlacht flauwtjes terug, schuift wat zenuwachtig heen en weer op haar stoel, wringt haar minirok zedig naar omlaag en zwaait haar ene been over haar andere. Ik neem m’n rugzak die aan mijn voeten staat, stop m’n boek weg en loop naar haar toe. Ik zet me neer op de stoel vlak naast haar.

“Hello,” zeg ik aarzelend.

Opnieuw verschijnt een flauw glimlachje op haar lippen.

“Do you speak English?”, vraag ik.

Geen reactie. Niet dus. Het gros van de Chinezen, althans in Zuid China spreekt Chinees. Logisch, uiteraard. Maar ze spreken alleen maar Chinees. Als ze hen dus iets vraagt in het Engels, negeren ze je gewoon of kijken je aan als een gedrogeerd schaap.

“No English?”, vraag ik nogmaals.

Met een ruk draait ze zich naar mij toe, kijkt me vrank in de ogen en zegt: “Ja mijnheer, ik spreek Engels, Nederlands, een beetje Frans en Spaans en uiteraard ook Chinees.”

“Oeps, dat had ik nu niet onmiddellijk verwacht,” reageer ik enigszins verbaasd.

Ze glimlacht. Zelfingenomen trut, denk ik en glimlach terug.

“Ik ga er van uit dat je vakantie er op zit,” gaat ze verder.

Ik zie er inderdaad niet uit als een zakenreiziger.

“Ja, en jij?”

“Ik keer terug naar Nederland,” antwoordt ze terwijl ze haar onderbeen heen en weer wiebelt.

“Oh ja, terug naar Nederland.”

“Wat vind je er van?”, vraagt ze.

“Mooi.” Ik kijk gefascineerd naar haar wiebelende been. Ze volgt m’n blik.

“Ik bedoel, wat vind je van China?”, vraagt ze opnieuw.

“Mooi,” zeg ik nogmaals.

“Waar was je?”

“Rondreis in het zuiden, Sichuan, Guizhou, Guangxi, Fujian.” Ik som een aantal provincies op waar ik de afgelopen drie weken was.

“Niet onmiddellijk een toeristische route.”

“Neen, ik hou niet van al dat toeristische gedoe. Ik heb schijt aan het terracotta leger en aan jullie muur.”

“Het is niet mijn muur,” reageert ze bitsig. Ze haalt haar vingers door haar lange zwarte strakke haren.

“Ik bedoel, ik hou niet van dat commerciële gedoe. Chinezen verkloten hun cultureel patrimonium.”

“Chinezen willen vooruit.”

“Daarom hoef je geen tempels om te bouwen tot souvenirshops.”

“Er zijn tempels genoeg.”

Die trut heeft op alles een antwoord.

“Trouwens, jouw gids heeft je ongetwijfeld meegezeuld naar zulke dingen.”

“Tja, die spleetoog heeft het geprobeerd maar het is haar niet gelukt.”

“Spleetoog? Neen, laat maar. Ik ben het gewoon,” zegt ze en draait haar hoofd de andere kant op.

“Normaal heb ik het over rijstvreters,” reageer ik lachend.

Geen antwoord. Ze blijft de andere kant opkijken.

“Sorry dat ik je beledigd heb,” ga ik verontschuldigend verder.

“Ik heb de indruk dat je niet hoog oploopt met Chinezen.” Ze keert zich terug naar mij.

“Niet met allemaal. Ik vind de meesten doorgaans maar vuile, vieze, vettige ventjes. Ze slurpen, rochelen, spugen en laten scheten. Als ik zo’n rochelende rijstvreter hoor, dan komen m’n haren recht en als ie zo voor m’n voeten spuwt, heb ik goesting om hem een peer op z’n bakkes te geven.”

“Ik vind het ook niet zo netjes. Wij zijn het niet gewoon.”

“Hoe ben jij in Nederland beland?”, vraag ik in een poging om het gesprek een andere wending te geven.

“Hoe ben jij in België beland?”, is haar lakonieke antwoord.

“Ik ben er geboren. Trouwens hoe weet jij dat ik Belg ben?”

“Je praat als een Belg en je probeert me op een lullige manier te versieren.”

“Ik probeer je helemaal niet te versieren.” Ik kijk haar verontwaardigd aan. “Ik vind het gewoon fascinerend, een Chinese die Nederlands spreekt.”

“Mijn moeder was en Yao.”

“Dat is dan ook toevallig. Ik zag de Yao’s in Ping An.”

“Ze kwam uit de buurt.”

“Mooie streek. Prachtige rijstvelden.”

“Ik ben er nooit geweest.”

“Yao vrouwen wauwelen een paar woordjes Engels, zeggen constant hello terwijl de dollartekens in hun ogen flikkeren. Ze tonen je maar al te graag hun lange zwarte haren … als je er voor betaalt.”

“Het is allemaal de schuld van de toeristen. Trouwens, m’n vader heeft haar er weggehaald.”

“Weggehaald?”, herhaal ik nieuwsgierig.

“M’n vader komt uit Brielle, ligt in Zuid-Holland, was op reis in China, ontmoette mijn moeder in Ping An waar ze in het guesthouse werkte waar hij logeerde. Hij nam haar mee naar Nederland.”

“Je moet maar durven,” reageer ik lachend.

“Wat bedoel je? Ze kijkt me vragend aan.

“Een Chinese importeren in Nederland, dat is toch om problemen vragen,” antwoord ik.

“Ik heb m’n moeder nooit weten rochelen of op de grond spuwen, als het dat is wat je bedoelt.”

“Ja, dat bedoel ik.”

Een paar Chinese bimbo’s, afschuwelijk gemaquileerd, met opgespoten lippen en plastieken borsten wankelen voorbij op twaalf centimeter plateauzolen. Lelijke dwergen met witte knoken. Ik kijk blijkbaar bedenkelijk.

“Men zegt dat ze in het noorden groter en mooier zijn.”

“Ik ga ooit wel nog eens naar het noorden. Tibet spreekt me wel aan.” Ik ontwijk haar insinuatie.

“Slechte kwaliteit,” ga ik verder.

“Wat bedoel je?”, vraagt ze.

“Hun borsten. Silicone van slechte kwaliteit.” Ik knik in de richting van de passerende bimbo’s.

“Hoe weet je dat?”, vraagt ze me verwonderd aankijkend.

“Ik verzamelde ooit silicone borsten. Gebruikte wel te verstaan. Ik had er een paar honderd, de grootste verzameling in België. Toen er een aantal begonnen te lekken, kieperde ik het hele zootje in de vuilnisbak.”

Ze fronst haar wenkbrauwen.

“Grapje”, zeg ik lachend,”trouwens, hoe heet je eigenlijk?”

“Ophelia.”

“Verrassende naam voor een Chinese. Net als die biopolaire griet uit Hamlet die zelfmoord pleegde.”

“Ken ik niet en ik ben absoluut niet van plan om zelfmoord te plegen.” Er klinkt verontwaardiging in haar stem.

“Hou je niet van Shakespaere?”, vraag ik.

“Neen, ik geef de voorkeur aan Hugo Claus.”

“Aha, de Chinese hoer.” Ik lach.

“De Spaanse bedoel je.” Ophelia kijkt me verontwaardigd aan.

“Goed zo. Ik wou je even testen. Tussen haakjes, hoe ging het verder met je moeder?”

“M’n vader liet haar werken in zijn restaurant.”

“Een Chinees restaurant veronderstel ik.”

“Inderdaad, in Amersfoort. Kort na mijn geboorte ging hij op reis naar Indonesië. Hij bleef drie maanden weg en kwam naar huis met een Balinese. Hij liet mijn moeder in de steek en opende met dat mens een Indonesisch restaurant. Mijn moeder zette de Chinese zaak verder tot ze vorig jaar stierf. Kanker. Ik nam de zaak over. Nu weet je alles. Nog iets?”

Ik trok een bewonderend gezicht.

“Mooi eiland, Bali. Ben er ook ooit geweest. Twee maal zelfs. Heb je nog contact met je vader?”

“Neen. Hij verhuisde een tiental jaar geleden naar Thailand.

“Laat me raden. Om een restaurant te openen?”

“Neen, een hoerentent.”

“Een vent met ballen, je vader.”

“Neen, helemaal niet, een klootzak.”

“Jij maakt dus geen deel uit van het gele gevaar?”

“Wat wil je daar nu mee zeggen?”

“Simpel, men heeft het al jaren over het gele gevaar. We leerden op school dat een dreigende overheersing door de enorme bevolkingsgroei in China een gevaar voor het westen was. Als kind speelden we geen cowboy en indiaan maar gooiden we atoombommen op de koppen van die rijstvreters. Tora Tora Tora. Jij bent Nederlandse, dus ongevaarlijk.”

“Dat van Tora Tora Tora waren de Japanezen.”

“Moet jij dan altijd het laatste woord hebben?”, vraag ik alsof ik geprikkeld ben.

“Enkel als ik gelijk heb en meestal heb ik gelijk.” Ze lacht.

Opnieuw kraakt onverstaanbaar gewauwel door de luidsprekers.

“Was dit voor ons bestemd?”, vraag ik.

“’k Weet het niet. Ik heb er niets van verstaan.”

Een papperige veiligheidsagent loopt tussen de rijen wachtenden door. Het lijkt me een afgeleefde sumo worstelaar met veel veloverschot. Twee varkensoogjes kijken me doordringend aan. Hij heeft enorme zweetvlekken onder zijn oksels. De man doet me denken aan Jean Marie D, een uitgerangeerde Vlaamse politicus met een erg groot bakkes. Hij blijft voor ons staan en zegt iets tegen Ophelia. Zij schudt haar hoofd en haalt haar schouders op. De gele papzak loopt waggelend verder.

“Wat vroeg hij?”

“Of die bleekscheet me lastig viel.” Ze knikt in mijn richting.

Ik lach.

“Ik val je toch niet lastig, of wel? Ander onderwerp. Ik was gisteren op het strand in Xiamen.”

“Ja, en?”

“Wat me opviel, geen enkele Chinese in badpak of bikini. Nochtans het was prachtig zonnig weer.”

“Chinese vrouwen zijn preuts.”

“Preuts? Waarom lopen er dan zo veel met de helft van hun kont bloot?” Ik knik in de richting van de twee bimbo’s die tegenover ons gaan zitten zijn.”

“Daar heb jij toch geen last van,” reageert Ophelia.

“Neen, wat mij betreft mogen ze zelfs een niqab dagen.”

“Een niqab?”

“Ja, een niqab, je weet wel, zo’n ding dat alles bedekt met enkel alleen een opening voor de ogen. Chinese oogjes door het spleetje. Lekker opwindend.”

“Opwindend? Je weet toch niet wat er verder achter schuilt. Het kan net zo goed een aartslelijk schepsel zijn.”

“Geef mijn mannelijke fantasie alsjeblieft wat ruimte. Neen, alle gekheid op een stokje, maar als Chinezen zo preuts zijn, waarom zitten ze dan op een rijtje, naast elkaar, te schijten met hun kont hangend boven een gat in de grond?”

“Elk volk heeft zo zijn gewoontes denk ik.”

“Mooie gewoontes. Bovendien, heb je die Chintokken al eens bezig gezien op restaurant. Ze vreten alles wat poten en oren heeft en hun afval kieperen ze gewoon op het tafelkleed en op de grond. Mooi zootje.”

“Ik zei het al, elk volk heeft zijn gewoontes. Trouwens heb je Nederlanders al eens bezig gezien op restaurant, die kunnen zich ook best beestig gedragen hoor.“

“Chinezen eten varkensdarmen, schildpaddenkloten, kippenpoten, viskoppen en geitenmagen. Ze slaan alles in hun kas.”

“Zal wel zijn. Maar bij ons worden die dingen gewoon door de molen gedraaid en eten we een oh zo lekkere fri-kan-del. Snap je?” Ik knik instemmend.

“Wist je dat Chinezen honden eten?”, vraag ik.

Ja, dat weet ze.

“Chinezen eten alles en we doen er niks aan.”

“Wat wil je dat we er aan doen? Het is toch ons probleem niet.”

Daar had ze een punt.

“Mao, die had het moeten verbieden. Naar Mao luisterden ze wel. Ze hadden geen keuze. Als Mao had gezegd: Stop met dat barbaars gedoe. Hij die het nog waagt om hond te eten wordt opgehangen en gevierendeeld, ik geef je op een blaadje. Geen Chinees zou het nog gewaagd hebben om hond te eten. Daarbij, m’n schoonbroer had me verwittigd,” zeg ik.

“Hoe, verwittigd?”

“Van de rotzooi.”

“Rotzooi? Schoonbroer?”

“Jullie noemen zo iemand zwager. Gerrit. Komt uit Zwolle. Koopt massaal Chinese brol voor kermiskramen en lunaparken, je weet wel, speelgoedgeweertjes, nep Mickey Mousen en condooms met flikkerlichtjes.”

Ophelia lacht.

Helga komt aangeslenterd.

“Zo stinken,” en ze laat zich met een diepe zucht op de stoel naast me vallen.

“Wie?”

“Niet wie. Wat! Die WC’s,” en ze tekt een vieze smoel. “Gezelschap gevonden?”, gaat ze verder op cynische toon, knikkend in de richting van de Chinese naast me.

“Ophelia.”

“Die del uit Hamlet die zelfmoord pleegde?”, lacht ze

“Ophelia spreekt Ne-der-lands en is niet van plan zelfmoord te plegen.”

“Mooi zo.”

“Ophelia heeft een Chinees restaurant in Utrecht,” ga ik verder.

“En dan? Valt hij je lastig juffrouw Ophelia?”

“Neen,” antwoordt ze schuchter.

Helga neemt een tijdschrift en begint te lezen

“Aan China is er nog veel werk,” zeg ik.

Ons braaf chineeske komt plots uit haar kas. Haar ogen hebben iets onpeilbaars.

“Wat de fuck kwam je hier in feite zoeken?”

“Originele dingen,” antwoord ik.

“Wat bedoel je me originele dingen, Chinese vrouwtjes met kleine voetjes? Wat vind je van mijn voetjes? Mao? Kwam je Mao zoeken? Of zijn rooie boekje? Ze hebben hier nog nooit gehoord van het rooie boekje. Wat kwam je zoeken? Een Chinees restaurant. Die bestaan hier niet. Die bestaan alleen in jouw en mijn klotelanden.”

Ho, ho, ge moet zo nie van uwe Chinese foert maken.” Haar irritatie doet me glimlachen.

“Ander onderwerp.” Hoge tijd om over iets ander te beginnen, vind ik.

“Heb je een vriendje Ophelia?”

“Ik had er eentje, een Tsjetsjeen.”

Mijn nekharen komen recht.

“Een Tsjetsjeen. Waarom in godsnaam een Tsjetsjeen. Dat is om problemen vragen.”

Ze haalt haar schouders op en zegt: “Ik heb het uitgemaakt omdat hij steeds maar zei dat ik een stom wijf was.”

Iemand met zo’n verstandige in zijn spleetogen kan nooit een stom wijf zijn. Iemand die zo iets zegt moesten ze met zijn teelballen aan de luster ophangen

“Heel verstandige keuze,” zeg ik.

Opnieuw gekraak en gewauwel via de luidsprekers.

Ik zag Ophelia nog even terug op Schiphol.Ik heb haar toen veel kroepoek, loempia’s, Koe Low Kai en Babi Panggang toegewenst. Ze glimlachte.

11:28 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Commentaren

1e x dat ik iets van je lees en vind het heel mooi ! doe zo voort denk ik zo !
groetjes

Gepost door: irena | 02-12-12

Reageren op dit commentaar

bedankt voor de leuke commentaar irena

Gepost door: guido | 02-12-12

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.