30-08-12

Ze hebben me vandaag voor de zoveelste keer bij mijn kloten gehad

treinvertraging 3.jpgZe hebben me vandaag voor de zoveelste keer bij mijn kloten gehad. Beschouw me gerust een ezel die niet twee maar reeds ontelbare keren over diezelfde steen is gestruikeld. Ze en naam van de steen: NMBS, Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. Dit ter verduidelijking van de gelukkige zielen die zich nog nooit hebben laten verleiden door de slogan: met de trein zou je er al zijn. Met de trein zou je er al zijn, één van de meest redicule slogans ooit gelanceerd. Er zijn zal je met de trein wel ooit. Op tijd nooit.

“Aandacht, aandacht, de trein met bestemming Knokke Blankenberge van zeventien uur éénentwintig, heeft een vermoedelijke vertraging van tien à vijftien minuten. Gelieve ons hiervoor te willen verontschuldigen.” Zucht. De NMBS heeft zich tegenover mij in de loop der jaren al een paar honderd keren verontschuldigd. Nog nooit heb ik hun verontschuldigingen aanvaard. Ik aanvaard geen goedkope excuses.

Misschien juist daarom dat ze me blijven kloten, jaren lang. Klokvast zeggen ze. Het enige dat klokvast staat is dat ze nooit op tijd zijn. Soep en patatten koud als je thuis komt. Het is nu zo en het was zo ook al in de jaren tachtig toen ik nog in Brussel werkte. Dertig jaar lateris er nog geen zak veranderd.

In Brussel werken terwijl je in Gistel woont is geen geschenk. Nu niet in indertijd ook niet. De eerste twintig minuten van de dag heb je volledig zelf in de hand. Het ritueel van het stille vloeken bij het rinkelen van de klotewekker, het gestrompel naar de WC gevolgd door anderhalve minuut gekletter in de pot – mijn record was twee minuten vierentwintig seconden. Vluchtig slaap- en zweetgeuren wegspoelen in de badkamer, een vluchtige zoen aan Bart en Els. Mijn lippen branden aan de snelle slok gloedhete koffie. Gezeik op de radio waar een slaapdronken vrouw komt uitleggen dat azalea’s vanaf nu het ganse jaar kunnen gekweekt worden. Daar zat het ganse land op te wachten. De toekomst van België, kweek azalea’s. Twee boterhammen met kaas in aluminium folie en vanaf dat moment heb je het niet meer zelf in de hand. Je hoopt dat die verrekte auto start wat niet evident is. Ik bedoel, het gebeurt niet altijd, meestal start hij wel maar soms ook niet. Vandaag dus wel. Je rijdt als een gek naar het station in Brugge waar je hoopt op dichte parkeerplaats wat weeral niet evident is. Niet omdat er te weinig parkeerplaatsen zijn maar wel omdat zo veel mensen uitgerekend op hetzelfde moment naar datzelfde verrekte station rijden om er dezelfde verrekte trein te nemen om naar verrekte Brussel te pendelen.

Je rent als een gek naar die verrotte trein waarvan je hoopt dat hij er niet staat – maar waarom zou hij er niet staan – hij staat er iedere rotdag. Moest hij er niet staan dan heb je uiteindelijk wel een probleem. Je rent niet alleen. Tientallen slaapsmoelen rennen met je mee. Je stoot er een paar aan die voor je voeten lopen. Je vloekt. Voor verontschuldigingen is er binnen deze klotemassa geen plaats. Ieder voor zich. Eentje laat zijn krant vallen. Je schopt hem een eind verder.

Je hoopt dat er  een knappe vrouw tegenover je komt zitten maar welke knappe vrouw neemt er nu ’s morgens om zes uur die verrekte trein naar dat verrekte Brussel? Mooie vrouwen liggen op dat moment nog in hun bed. Mooie vrouwen nemen de trein van acht uur, of die van negen uur. ’s Morgens vroeg leg ik de lat doorgaans niet erg hoog wat schoonheid betreft maar er zitten geen mooie vrouwen op de trein van zes uur. Laat dat voor iedereen duidelijk zijn.

Doorgaans zit je tegenover een kerel met het gezicht van een afgeleefde kakkerlak met eindbestemming één of ander ministerie waar hij uitblinkt in afgestompte nutteloosheid. Hij heeft ooit geprobeerd het tegenovergestelde te bewijzen op deze trein maar geen kat die hem ernstig nam. Of je kijkt anderhalf uur op de mislukte-make-up-smoel van een op de vooravond-van-haar-pensioen-verkerend, zo dik als een drachtige koe, over haar idiote brilletje glurend, wijf. Je hoopt dat ze deze keer haar mond houdt en haar klappperend gebit niet voor je voeten uit haar mond valt zoals vorige week. Uiteraard en dat is nu het meest spijtige aan treinreizen: je kunt je gezelschap niet kiezen. Af en toe zit er een student op de trein, zo één met heel vet haar. Van dat haar waar je een dozijn eieren op kan bakken en dan nog genoeg over hebt voor de frituurpan. Normaal zie je geen studenten op de trein van zes. Doorgaans, zeker na een nacht zuipen, slapen studenten nog om zes uur.

Met een beetje geluk heb je een plaatsje tegen het raam. Niet dat het stomme landschap tussen Brugge en Brussel je een fluit interesseert. Je hebt het al honderden keren voorbij zien glijden, monotoon, grijs, grauw. Het enige dat verandert zijn de koeien en koeien interesseren me niet. Neen, met een plaatsje tegen het raam hoef je je hoofd niet tegen de schouder van je buur te leggen om te slapen. Want je slaapt op de trein. Wat zou je anders doen met al die oenen rond je. Ten andere, bijna iedereen slaapt. Behalve die twee lelijke tortelduiven die de godganse tijd, van Brugge tot Brussel, elkaars oren zitten uit te lekken. Zij, als ze loopt, draait met haar kont als een wilde eend die een lading hagel in haar reet heeft gekregen. Hij, een verschrompeld knulletje met een debiel brilletje op z’n grote neus.

In Gent moet iedereen wakker, willen of niet. In Gent stormt een meute verse slaapsmoelen de trein op. Ze duwen, trekken, persen, trappelen, struikelen, vloeken. Allemaal willen ze die paar luttele, schele, resterende plekjes innemen en zo vlug mogelijk verder slapen.  Zij die  in Gent er af willen moeten geweld gebruiken. Zo niet wordt Brussel Zuid voor hen de eerstvolgende halte. Met een beetje geluk krijg je geen Gentenaar naast je. Niet omdat ze stinken of een groot bakkes hebben – alhoewel ze dat doorgaans wel hebben, wat in bepaalde omstandigheden wel leuk is, maar niet op een trein om zeven uur ’s ochtends. Neen, ik verfoei Gentenaars om de eenvoudige reden dat Gentenaars minstens drie kwart uur langer in hun bed hebben kunnen liggen dan ik. Het is doorgaans ook omdat een Gentenaar van zijn kloten maakt tegen de conducteur omdat hij al voor de vierde keer deze week moet rechtstaan terwijl hij betaald heeft voor een zitplaats, dat de trein met vertraging toekomt in Brussel. Zoete wraak van de conducteur maar eindresultaat is weeral rennen. Rennen door de groezelige, gore, naar zeik stinkende gangen die van het Centraal station richting Koningsstraat en dan verder naar de Rue de la Croix de Fer. De rest heb ik weeral niet meer in de hand. Na acht uren gezeik, problemen, vreemdelingen en illegalen – ja toen ook al – rennen naar het Centraal Station. Zeventien uur tien. Je hebt nog elf minuten. Het rennen gaat iets makkelijker dan ‘s ochtends want nu gaat het bergaf. In feite ren je enkel uit pure gewoonte. Ook omdat iedereen rent. Iedereen rent naar een trein die toch nooit op tijd is. Maar je weet maar nooit, dus rennen en hopen dat het vandaag warme soep zal worden.

Vandaag dus, dertig jaar later, na een klotenvergadering in Brussel waarbij ik de helft van de tijd geslapen heb, op een drafje naar het Centraal Station. Spoor 4 vind ik nog met de ogen dicht. Hijgend ren ik de trappen af.

“Aandacht, aandacht, de trein met bestemming Knokke Blankenberge van zeventien uur éénentwintig, heeft een vermoedelijke vertraging van tien à vijftien minuten. Gelieve ons hiervoor te willen verontschuldigen.”

16:01 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Hahaha, leuk, heb ervan genoten.
styl a' la, allé hoe noemt die tjoeten weer..aja Brusselmans, nu dus Guido Greefmans ;-)

Gepost door: roy | 30-08-12

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.