26-06-12

bij de nonnen op de schoot

bij de nonnen op de schoot 01.jpg

Ik hield niet van de kleuterschool, ook niet van de kleuterschool in de Stokerstraat in Oostende. Vijfendertig kleuters in een vaalbruin geschilderd lokaal met vochtige groene vloertegels en angstzweet op de ruiten. IJskoud in de winter, snikheet in de zomer. Stilzitten met onze handjes op de tafel. Bij de speeltijdbel, twee rijen samengeknepen billetjes. Vaak kwalijke geurtjes ondanks het feit dat wie naar de kleuterschool ging, zijn sluitspieren onder controle moest hebben. Pampers bestonden nog niet.

 

Ik was in de kleuterschool wat men noemt, een notoir bleiter, met als resultaat dat ik geregeld bij de nonnen op de schoot moest. Dat mocht, want ik had mijn sluitspieren wel onder controle. Ooit al eens bij een non op de schoot gezeten? Waarschijnlijk niet. Was niks leuks aan. Trouwens, waar vind je nu nog een non, laat staan één waar je bij op de schoot kunt gaan zitten. Misschien wel een ongewijd exemplaar op hoge hakken en met jarretellen in één of ander fetish clubje.

 

Nonnen, een bijna uitgestorven soort. En zij die er nog rondlopen – doorgaans een flink eind boven de versheidsdatum – hebben van hogerhand formeel verbod gekregen om wie dan ook op de schoot te nemen. Dat hebben ze uiteraard te danken aan die mannelijke collega’s die hun poten niet konden thuishouden.

 

Voor zij die nog nooit op de schoot van een non gezeten hebben, je hebt niks gemist. Een troostende knuffel van een ongeschoren non met een harige wrat op haar neus is niet iets om erg naar te verlangen. Knappe nonnen bestonden er niet, hebben trouwens bij mijn weten nooit bestaan. Jonge nonnen bestonden wel maar werden angstvallig in de kerkelijke catacomben bewaard tot een stuk na de rijpingsdatum. En als er dan iets knaps aan zou gezeten hebben, werd dit in ieder geval aan elk wellustig oog onttrokken teneinde geen begeerten op te wekken. Iets in de aard van: gelovige vrouwen moeten hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken, en hun sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is. En zij moeten hun sluiers over hun boezem dragen en hun schoonheid niet openlijk tonen. Waar hebben we dat nog gehoord? De wereld is toch klein, nietwaar.

 

Neen, met mijn teder lijfje tussen de plooien van het stijve kloostergewaad getrokken worden, was geen pretje. Ze waren ook niet allemaal even vriendelijk, die nonnen. Ze lieten graag duidelijk blijken dat zij het goddelijk gezag vertegenwoordigden. De ruimte naast het kerkelijk pad was niet begaanbaar. Willen of niet, de pap met de gouden lepels zou je eten. Daar zouden zij wel voor zorgen. Zo’n non sprak je aan met ‘zuster’, niet met ‘non’. Geef toe, dag zuster klinkt beschaafder dan dag non. Voor de rest herinner ik me bitter weinig van mijn verblijf in de kleuterschool, waarschijnlijk omdat ik er maar weinig verbleven heb.

 

Ik was nog geen zes toen ik de overstap maakte naar de lagere school. Eindelijk het serieuze werk. In onze wijk had je twee scholen, op een boogscheut van elkaar: het kaloten college links, de stadsratten gemeenteschool rechts. Per vergissing schreef m’n vader me in bij de stadsratten. Zou mij worst wezen. Het was enkel wat wennen. Het kerkelijk pad was hier onbestaand, de houten regel op je vingers pure realiteit. Ik was verlost van de nonnen.

09:49 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.