15-02-12

Op stap met drie koningen

guido 2.jpgWeet je dat er naast de mensenwereld en de dierenwereld zo iets bestaat als de beeldenwereld? Neen? Ik zal het even uitleggen. Ieder jaar, de tweede zondag van februari, klokslag twaalf uur ’s middags gaan alle standbeelden waar dan ook ter wereld hun eigen leventje leiden gedurende welgeteld één seconde. Ontzettend kort leventje hoor ik je zeggen. Inderdaad ware het niet dat één seconde in de beeldenwereld overeenkomt met zowat één jaar in de mensenwereld. Beelden leven ongeveer tegen de snelheid van het licht. Vandaar wij mensen niet merken dat ze verdwenen zijn en niet merken dat ze bewegen. Onze wereld staat compleet stil terwijl zij hun gang gaan. Als getalenteerd schrijver en schilder heb ik uiteraard nu reeds mijn eigen standbeeld welke ik gemakshalve “ik” zal noemen in dit verhaal. Ik komt mij uiteraard steeds uitvoerig verslag uitbrengen van zijn jaarlijks avontuur. Daar gaan we.

Oostende. Twaalf uur. Een stralend winterzonnetje. Ik haast me zo vlug als mijn stramme bronzen botten me kunnen dragen naar de zeedijk. Het is er druk. Tussen de stilstaande massa bemerk ik Koning Boudewijn, verontwaardigd omdat studenten gedurende het afgelopen jaar zijn brilletje gepikt hebben, verontwaardigd omdat men er niet in geslaagd is om de laatste restjes rode verf welke vandalen over hem gekieperd hebben van de kraag van zijn jas te verwijderen. Ik merk zijn geïrriteerdheid.
“Hoe maakt u het, Sire?” vraag ik eerbiedig.
“Het gaat, maar …,” somber kijkend en wijzend op de kraag van zijn jas.
“t’Ja, droogkuis zal hier niet veel helpen vrees ik. Misschien straks even laten zandstralen,” reageer ik lachend.

Een eind verder klautert koning Leopold II van zijn paard. Kreunend bereikt hij de begane grond. Links een groepje Kongolezen die hem dankbaar aankijken, uitgezonderd die ene met zijn afgezaagde hand. Hij zal er wel zijn reden voor hebben. Rechts enkele vissers die al onmiddellijk een feestje beginnen te bouwen.
“Ha, de Polle nummer Twee,” roep ik. Die Romeinse cijfers liggen me niet goed.
Polle Twee gaat een paar keer door zijn knieën om zijn stijve spieren los te werken en begroet ons uitbundig.
“Kom,” zegt hij,” we gaan vader halen.”
Met zijn drieën wandelen we via de zeedijk in de richting van het Kursaal. Een eind verder komt koning Leopold I ons vanuit de Kemmelbergstraat, statig, kaarsrecht, tegemoet gewandeld. Ook hij heeft zijn paard achtergelaten op het plein dat naar hem vernoemd is. Polle Eén is wat gereserveerder dan zijn zoon en geeft ons allen een ferme handdruk. Samen lopen we verder. Ter hoogte van het Kursaal maakt Polle Twee, de sloeber, de stille genieter, een praatje met Grace Kelly, ja die van Monaco weet je wel. Deze ziet het niet zitten om met ons mee te komen.
In de hall van het Kursaal tokkelt Marvin Gaye breedlachend een deuntje op zijn piano. Met zwier klapt hij de piano dicht, wipt van het bankje, trekt zijn jasje goed en zegt: “Klaar, dan zijn we zeker. Nog even langs de Visserskaai om Lucy Loes op te pikken.”
Lucy staat ongeduldig te wachten.
“Ik dacht al dat jullie niet meer zouden komen,” zegt ze verwijtend.
“Rustig, Lucy, ’t is Polle Twee zijn schuld. Ge kent hem hé. Als hij een schoon vrouw gezien heeft …,” probeer ik haar te kalmeren.
“Hij is zeker weer blijven plakken aan die van Monaco?” gaat Lucy verder.
“Komaan, straks missen we onze trein nog.” Boudewijn probeert er vaart in te steken.
Nog net op tijd halen we de trein van 13 uur naar Brussel.

Polle nummer Twee staat er op dat we zouden afstappen in Brussel Noord. Groot is echter zijn ontgoocheling wanneer hij merkte dat alle bordelen in de Rue du Progrès verdwenen zijn. Op de Place Rogier staat een verdwaalde overjaarse straatmadelief. Polle Twee geeft haar speels een tik op de kont. Er verschijnen pretlichtjes is zijn ogen. Preutse Boudewijn kijkt de andere kant op. Via de Adolphe Maxlaan komen we aan de Beurs. Op de trappen van het gebouw staat een man met een bord België Barst. Pol Eén loopt de trappen op en geeft de betoger een flinke stamp tegen zijn achterste. De man zal nooit weten wat hem overkomen is.
“Ik moet toch iets doen om mijn koningshuis te redden,” zegt hij verontschuldigend.

We lopen verder via de Beursstraat richting Grote Markt. Het is er druk, erg druk. Marvin en Lucy hebben veel succes bij de beelden van het stadhuis met hun duet “gie zie mien zèèkapiting”.
“Kom, laten we naar de kleine gaan kijken,” zegt Leopold Eén. Hij bedoelt Manneke Pis.
Op de hoek van de Stoofstraat en de Eikstraat wemelt het van toeristen. Een meute stokstijve Jappen met kanjers van fototoestellen verdringt zich voor het ijzeren hekken. Zij merken uiteraard niet dat Manneke Pis even pauze heeft genomen. Het ventje zelf zit op de stoeprand, een eind verder in de straat. Hij drinkt in één teug een flesje geuze bier leeg.
“Je hebt er geen gedacht van hoeveel een mens op een dag moet drinken om hier constant te staan plassen,” zegt hij klagend.
Met een grimas op zijn gezicht wrijft hij over zijn pijnlijke bil. Een stenen pijl van Cupido kan hard aankomen. Zijn lief, Jeanneke Pis zit een eindje verder beteuterd te kijken.
“Zin om met ons mee te gaan?” vraagt Boudewijn aan het manneke.
“Neen, veel te veel werk man,” is zijn antwoord.
“Daarbij, ik heb deze namiddag een afspraak met de kleermaker. De Leuvense boerinnenbond doet mij een Eskimopakje kado. Ik zal het goed kunnen gebruiken want de nachten zijn nog koud, weet ge.”
Zuchtend staat het ventje recht, werpt nog een kwade blik op Cupido aan de gevel en kruipt dan terug in zijn nis voor de volgende plassessie.

“En nu naar Parijs!” roept Leopold Twee plots met luide stem.
“Oké, maar dan moeten we de auto ophalen in het paleis,” reageer ik enthousiast op het voorstel.
“Mij goed,” zegt Polle Eén, “dan kunnen we eerst even de familie goeiedag zeggen.” Boudewijn zegt dat hij liever naar Santiago de Compostella zou gaan maar legt zich uiteindelijk neer bij de meerderheid. Na wat zweten en puffen op de Kunstberg bereiken we via het Koningsplein de personeelsingang van het Koninklijk Paleis. De Polles en Boudewijn kennen er uiteraard de weg als hun broekzak en in geen tijd staan we in de grote eetzaal. De familie is net begonnen met het middagmaal. Wie dacht dat het er stijfjes aan toe zou gaan heeft het verkeerd voor. Mathilde heeft haar handen vol met Emmanuel die een lepel soep over het hoofd van de kleine Eléonore gekieperd heeft. Prins Filip zit op zijn Nintendo te spelen. Prins Laurent staat in de hoek met de handen op zijn hoofd en Claire zit wat beteuterd te staren naar een fluo roze dildo die ze net van Laurent gekregen heeft voor Valentijn. Paula krijgt onder haar voeten van haren Albert omdat ze vandaag al voor de vierde keer het plaatje Dolce Paola van Adamo heeft opgelegd.
“Ik zie dat mijn Fabiola nog steeds naar dezelfde kapper gaat,” merkt Boudewijn stijfjes op.
“Kom, als we nog voor de donker in Parijs willen zijn, moeten we nu vertrekken,” probeer ik de rest mee te krijgen.
Even later staan we in de garage en trek ik het dekzeil van de oude glimmende Bentley weg. Tien minuten later rijden we de autosnelweg op richting Franse hoofdstad.

“Naar Versailles?” vraag ik wanneer we de lichtstad naderen.
“Neen, ik heb geen zin om daar al die Lodewijken tegen het lijf te lopen. Eén bende dikke nekken. Laat ons naar het Louvre gaan. Ik heb gelezen dat er daar deze avond een Bal Polulaire plaats vindt,” antwoordt Polle Eén.
Ik parkeer de Benley naast de glazen piramide op het centrale plein. We haasten ons naar binnen. Het feestje is al volop aan de gang. De Venus van Milo en de gevleugelde Nikè van Samothrake stelen de show. Amor en Psyche stoeien er schaamteloos op los. Polle Twee is niet te houden en stort zich in de armen van Euphrosyne, Aglaea en Thalia, de drie dochters van Zeus. Tot Cléo de Mérode plots op het toneel verschijnt. Het was vlug gedaan met zijn triootje. Ik heb Polle Twee de rest van de avond niet meer gezien. Amphitrite heeft duidelijk genoeg van haren Poseidon en heeft een oogje laten vallen op onze Polle Eén maar die ziet een avontuurtje met de Griekse schone niet zitten. Hij haast zich naar de Sully vleugel waar de uitgenodigde bende van het Musée Grevin zich volop aan het vermaken is. Onze Marvin Gaye vond er Diane Ross en samen zorgen ze voor een volle dansvloer met hun sensuele You're my everything. Polle Eén danst de ene slow na de andere met de wulpse Marilyn Monroe. Ik ga op zoek naar Lucy Loes. Ik vind haar enkele zalen verder. Er hangen een hele meute gedrapeerde Grieken en Romeinen aan de lippen van de kwelende Lucy. Me vintje kom noar huus, up de vissemarkt zienk geboren, tis gedoan met de dikke madam. Ze verstaan er geen lap van. Ik loop verder door de vele zalen. In de Hall Napoleon staat Johnny Holiday te kwelen en Madonna bouwt haar feestje in de Richelieu vleugel. Boudewijn is nergens te bespeuren. Hij wordt even later, blijkbaar flink boven zijn theewater gesignaleerd in het gezelschap van Bacchus. Nog even later wordt hij gezien, brakend als een reiger op het binnenplein van het Louvre. Daar vind ik hem, uitgeteld, slapend op de grond naast de Bentley. De rest komt even later op het afgesproken uur. We plooien Baudewijn in de auto en keren terug naar Oostende.

Het is klaarlichte dag wanneer ik de Bentley parkeer op de zeedijk ter hoogte van de Drie Gapers. Marvin Gaye en Lucy Loes vertrekken arm in arm richting Kursaal. Polle Eén, fris als een hoentje, besluit nog een wandeling te maken. Baudewijn trekt zijn kraag recht en waggelt trichting strand. Straalbezopen vissers stoppen met zingen en nemen hun plaats terug in, in de beeldengroep wanneer ze Polle Twee zien afkomen. De groep negers ligt al lang te snurken. En ik, ik ga slapen.


13:50 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.