23-01-12

ontmoeting in Parijs

 

De stad wordt wakker als een schone slaapster. De portier kijkt amper op wanneer ik het hotel buiten stap. Helga slaapt nog. Parijs, you love it or you love it. Ik kan mij niet voorstellen dat er iemand is die Parijs haat. Schuchtere zonnestralen strijken langs de daken van de gebouwen. Het licht is magisch, grauw nostalgisch.
De oude man trapt tegen de lege fles die tergend langzaam in mijn richting rolt. Ik ontwijk het rinkelend glazen ding dat in een plas water eindigt. Hij duwt het verroeste winkelkarretje met zijn prullen voor zich uit over het bijna verlaten driehoekige plein.

“Je suis le dauphin de la place Dauphine.”Hij neuriet zacht de eerste zin van Dutroncs’ Paris s‘éveille.

Hij kijkt mij doordingend aan. “Vous êtes Belge? Flamand?” Ik heb er geen flauw benul van hoe hij er toe komt te veronderstellen dat ik Vlaming ben. Ik knik bevestigend. “Je suis Leon, Bruxellois. Ik zen a Zinneke, verschtoade mij ?” Ik knik nogmaals. Ik heb er nog gewoond en het sappige Brusselse dialect is mij niet onbekend. Hij kijkt richting nummer 15 op het plein. Hij heeft Simonne Signoret nog gekend, zegt hij. Niet echt persoonlijk maar in betere tijden kwam hij af en toe in Chez Paul waar Simonne geregeld kwam lunchen. Toen was Leon nog een gerespecteerd zakenman die minstens één maal per maand zijn minnares Zalumna meezeulde naar de mystieke lichtstad onbewust van het feit dat zijn vrouw op hetzelfde ogenblik lag te rotzooien met zijn beste vriend en er nog minder van bewust dat zoaijn vraa, zijn vrouw dus, langzaam maar zeer zeker zijn bankrekening leeg haalde.

De Parijse zwerver lijkt me een grappig figuur, Een beetje psychotisch en gevaarlijk onvoorspelbaar. Pratend met struiken en bierblikjes, luid scheldend tegen de onzichtbare. Uitgeteld na één fles goedkope tafelwijn en een paar liter lauw bier. Wat zou Parijs zijn zonder een beetje rauw vuil en blote ellende?

“Ze is verleden jaar gestorven menier." Nee, niet Signoret. Die is al lang dood en begraven. Ligt op Père Lachaise naast haren Yves. Mijn vrouw, Monica, mijnheer. Schuun vraa moar a serpent. Mona. Iedereen noemde haar Mona. Akkoord, ik heb ze bedrogen maar zij heeft mij geruïneerd, gekoeioneerd, vermassacreerd.”

“Ze was van adel menier. Ze had Medici bloed. Monica Lisa di Antonio Gherardini.” Leon keek me doordingend aan toen hij deze naam uitsprak. Ik moest toegeven. Ik had nog nooit gehoord van Monica Lisa di Antonio Gherardini.

“Doet er niet toe.” zei Leon. “Iedereen noemde haar Mona.”

“Ik was verliefd op Mona maar ook op Zalumma. Zij was een Circassische, uit de hoge bergen in het mysterieuze Oosten. Haar volk werd geprezen voor zijn schoonheid en Zalumma - lang als een man, met zwart haar en wenkbrauwen en een gezicht witter dan marmer - was geen uitzondering Haar strakke pijpenkrullen werden gevormd, niet door een hete pook, maar door God. Ze waren de afgunst van elke Florentijnse vrouw. Vaak mompelde ze in zichzelf, in haar moedertaal, dat klonk als geen taal die ik ooit had gehoord, zij noemde het Adyghabza.“

Leon duwt zijn karretje tussen de struiken van de Place Dauphiné. Een gedaante in een slaapzak draait zich om en gromt. Een grauw gezicht kijkt in onze richting en knippert met bloeddoorlopen ogen. Blijkbaar het stilzwijgend signaal dat hij wel op Leons karretje en spullen zou letten.

“Kom!” Ik volg hem. We wandelen richting Pont Neuf en slaan rechts af, de brug over richting Quai François Mitterand. We lopen een eind langs de Seine. Plots zegt Leon: "Wij zijn allen ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overigen zijn insecten." Ik kijk hem vragend aan.

“Eén van mijn geliefde citaten,” reageert hij glimlachend op mijn vragende blik.

Een eind verder ligt het Louvre, rechts van ons. Leon loopt richting Rue Rivoli. Een lange rij wachtende toeristen staat nu reeds ondanks het vroege uur en twee uur voor opening van het museum in de Rue de l’Amiral de Coligny en een eind in de Rue Rivoli. De kop van de slang verdwijnt in de toegang tot de Cour Carré.

"Haat lucht op terwijl liefde vaak opvreet," verbreekt Leon het stilzwijgen. “Ik hield van haar. Ik heb haar geschapen, groot gemaakt, geliefd gemaakt. Akkoord, ik was een flierefluiter maar ik hield van mijn Monica. Ze vrat mij op maar toch hou ik nog steeds van haar.”

Ik reageer met een weinig zeggende “tja.” Wij lopen verder in de richting van een kleine poort ter hoogte van de Rue Marengo, Het blijkt de personeelsingang te zijn. Een gezette vijftiger in maatpak met hemd en das controleert de ingang.

“Bonjours monsieur Leon . Ca va ?”

“Ca va Georges? C’est un copain,” antwoordt Leon zachtjes, bijna fluisterend. De bewaker kijkt in mijn richting over Leons schouder en lacht vriendelijk. In de verte klinkt het klagende drietonige zenuwachtige getoeter van een politieauto.

“Kom,” zegt Leon wenkend met zijn hand. Nu pas merk ik de vele verfresten op zijn hand, voorheen verborgen door de te lange mouw van zijn jas. De metaaldetector piept luid en doordringend als ik er doorheen loop. Ik toon verontschuldigend mijn fototoestel dat ik uit mijn broekzak haal. De dame achter het controlescherm kijkt echter niet op. Verdiept leest zij verder in haar tijdschrift dat mij een Paris Match lijkt. We lopen door verlaten gangen en zalen. Via smalle trappen, een wirwar van bochten, een Alice in Wonderland labyrint, zeult Leon me mee langs een indrukwekkende verzameling beelden van de meest klinkende namen.

“We goan ierst noar de Flamands en d’Hollanders,” hijgt Leon. Ik volg.

Vijf minuten later staan we op de tweede verdieping in de Denon vleugel. Het is er ijzig stil en de rillingen lopen over m’n rug wanneer ik oog in oog sta met Hals, Rembrandt en Vermeer. Leon, de Brusselaar, praat stilletjes met een bewaker, een oud verkreukeld mannetje, bijna onzichtbaar één geworden met het decor. Leon laat me stilletjes genieten. Plots is hij onhoorbaar stilletjes achter me komen staan.

“Kom, we gaan een stappeke verder. Het is tijd, ze wacht op ons,” fluistert hij zachtjes. Leon ontwijkt mijn vragende blik en hervat zijn wedloop door het museum. We lopen naar de eerste verdieping. In ijltempo gaat het langs boeiende werken van Italiaanse kunstenaars, zoals Mantegna, Bellini, Francesco Guardi en Caravaggio. Ik word draaierig wanneer mijn blikken in de Apollo galerij langs de details van een plafondschilderij van Delacroix tollen.

Enkele ogenblikken later staan we aan de ingang van zaal zes. Hij grijpt m’n arm en houdt me tegen. Hij brengt zijn linker wijsvinger aan zijn lippen : “Sssst.”. Hij praat even tegen een zaalwachter die hij aanspreekt met Salai.

Langzaam, bijna op de toppen van zijn voeten loopt Leon de zaal in. Hij wenkt me. Ik moet volgen. In tegenstelling tot de andere zalen zijn de muren hier overwegend kaal. Alle aandacht gaat dan ook naar een relatief klein werk achter glas dat centraal hangt. Ik herken haar uiteraard meteen: Mona Lisa, alias La Gioconda. We lopen tot daar waar een koord bevestigd aan koperen staanders ons tegen houdt.

“Mijn Monica,” zegt Leon. “Iedereen zegt Mona, maar het is Mo-ni-ca.” Hij legt de klemtoon op iedere lettergreep. Leon stapt over de koord daar waar ze bijna tegen de vloer hangt en loopt tot vlak voor het schilderij. Enkele zaalwachters kijken geamuseerd toe. Hun gebrek aan enige reactie doet mij veronderstellen dat het tafereel hen niet ongekend is. Ik blijf eerbiedig op afstand staan. Ik ben wat verward. Een ontmoeting met La Gioconda had ik niet onmiddellijk verwacht. Dus ik heb wat tijd nodig. Ik vind haar allebeshalve knap. Ze lijkt me een arrogante bitch die beseft dat de halve wereld naar het Louvre komt om haar te zien. Ik zet een stap opzij. Haar blik blijft me volgen. Nog een stap, nog één. Ik keer terug. Haar ogen lossen me niet. Haar flauwe glimlach maakt haar ongrijpbaar mystiek. Ik hoor Leon zachtjes praten maar versta geen woord van wat hij zegt. Het lijkt Italiaans maar ik ben er niet zeker van. Ze kijkt niet naar hem, ze kijkt indringend naar mij, probeert me te verleiden. Ik wend mijn blik af

Plots hoor ik geroezemoes achter mij. Geluid van stemmen zwelt aan. In een mum van tijd ben ik omringd door tientallen mensen, overwegend Japanners. Oh’s en ahaa’s vullen de zaal, digitale fototoestellen gaan hoog omhoog over de hoofden van de anderen. Het is negen uur en het Louvre opende zijn deuren. Zaalwachters sakkeren op zij die een flits gebruiken. Ik wring me los uit de massa en loop richting uitgang. De plek voor het schilderij is leeg.

Ik loop naar de zaalwachter die Leon eerder aansprak met Salai, haal mijn beste Frans boven en vraag hem waar monsieur Leon gebleven is. Salai kijkt me apathisch aan. “Monsieur Leon? Connais pas.” Nog nooit van gehoord. Hij keert zich naar de massa voor het schilderij en maant het publiek aan om door te lopen.

Tien minuten later sta ik buiten en nog tien minuten later open ik zachtjes de deur van onze hotelkamer.

“Hoe laat is het?” vraagt Helga met slaperige stem.

 

 

07:43 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

kwam hier even voorbij gewandeld in het blog bos, ben beginnen lezen en wow dit is prachtig geschreven !
nog een fijne avond
Ivette

Gepost door: ivette | 23-01-12

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.