13-12-12

Met van die mobiele schijthuizen moet je altijd op je hoede zijn

mobiele wc.jpgToen het illegaal werd in het openbaar je gulp open te trekken om je urine te lozen en  plassen pissen werd is het gezeik begonnen. De oplossing, je kent ze wel, die verplaatsbare kakcabines, al dan niet chemisch. Elke organisator van openluchtevenement die zichzelf en zijn toeschouwers respecteert, laat er toch een paar tientallen neerzetten op zijn weide. Een werf is geen werf zonder van die bouwvakkersschijthuizen. Ik gebruik die dingen doorgaans enkel en alleen als het niet anders kan. Een drijvende drol en de muffe stank van zure zeik zijn niet iets waar ik op zit te wachten.

Toen ik laatst op bij extreme uitzondering omdat de nood het hoogst was,  in zo’n ding terecht kwam en mijn billen net niet de bril raakten omdat mijn smetvrees een hoogtepunt kende, ging het ding als een razende heen en weer door de sterke wind. Ik miste op de wand duidelijk de boodschap: niet gebruiken bij storm, orkaan, tornado, passaatwinden en gelijkaardige toestanden. Een beetje zoals:  lift niet gebruiken bij brand.

Het zal je maar overkomen. Je zit daar lekker je ding te doen en je drol volgt gewillig de regels van de zwaartekracht wanneer plots het ganse zaak op zijn kop gaat staan. Een alles behalve aangename gedachte als je het mij vraagt en men heeft het mij gevraagd want anders zou ik er niet over schrijven.

Met van die mobiele schijthuizen moet je altijd op je hoede zijn. Daar kan m’n lieve vriendin en collega S V van meepraten. Op wandel met haar trouwe viervoeter H wandelde ze voorbij zo’n installatie toen met een windstoot de deur open zwaaide tegen haar leuke snoet. De aanraking met de deur in combinatie met H die net op dat moment voor haar voeten liep, eindigde met een fikse smak tegen de Oostendse bodem. Resultaat: een beschadigd ego en nog enkele ander herstelbare mankementen.  Dus een goeie raad, benader die dingen met de nodige omzichtigheid en wees extra op je hoede bij winderige omstandigheden.

 

10:54 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-12-12

Ontmoeting op de luchthaven van Xiamen

minirok.jpg 

Het is druk op de luchthaven van Xiamen. Mijn vlucht naar Amsterdam Schiphol vertrekt over anderhalf uur. Ik heb een hekel aan luchthavens, vooral aan drukke luchthavens. Ik heb nog meer een hekel aan Chinese luchthavens. Ik krijg er het schijt van dat spleetogen me over een afstand van welgeteld drie meter, drie keer mijn boardingpass vragen, telkens ik die net terug weggeborgen heb.

De geur van zure zeik in het toilet doet me walgen. Ik hou mijn adem in terwijl ik plas. Probeer maar eens je adem lang genoeg in te houden terwijl je een volle pisblaas leegt. Ben ik toch gemiddeld twee minuten mee bezig.

Op een Chinese luchthaven valt er veel te beleven, als je van kitch en veel lawaai houdt. Ik hou niet van kitch en nog veel minder van drukte. Om de haverklap galmen de meest irritante onverstaanbare klanken door krakende luidsprekers, af en toe gevolgd door wat Engels gewauwel waar ik niks van versta. Niet omdat ik geen Engels versta, maar omdat tien meter verder een troep Chinese vrouwen staat te janken en te krijsen als een meute verkrachte kattinnen. Chinezen praten niet, Chinezen produceren kreten.

Ik probeer wat te lezen in de boardingruimte op één van de keiharde plastiek stoelen. Al op gelet? Stoelen op een luchthaven zijn altijd keihard. Althans de stoelen voor economy reizigers, zoals ik. Economy reizigers, de armoezaaiers onder de luchtvaartpassagiers. Ik vind trouwens de discriminatie in het luchtvaartgedoe verregaander dan het wit-zwart gebeuren in Zuid Afrika.

De airco doet het niet. Een paar stoeltjes verder zit een Chinese schone, althans naar Chinese normen. Chinezen behoren wat mij betreft tot de lelijkste mensen die op onze aardkloot rondlopen. Het percentage Chinese schones ligt bedroevend laag. Als ik dus praat over een Chinese schone, gaat het om een zeldzaam exemplaar. Niet dat ik veel interesse heb in mooie Chinese meiden. Wat doe je er mee? Je mag ze niet zo maar uitvoeren. Je kunt ze bij ons misschien kwijt in een Chinees restaurant. Er eentje in huis nemen zou ik niet aanraden. Ze maken lawaai, veel lawaai. Ze janken en gillen als speenvarkens met maagkrampen. Mijn moeder heeft me trouwens steeds op het hart gedrukt: “Jongen, kom alsjeblieft niet naar huis met een Chinese.” Gehoorzaam als ik was, ben ik met verschillende vrouwen naar huis gekomen, maar nooit met een Chinese.

Ze houden er van om op hoge hakken te lopen. Lopen is veel gezegd. Veelal huppelen. Met hun hoog anorexiagehalte en hun magere spillebeentjes lijken ze eerder waggelende reigers met gescheurde meniscussen op hun vaak te grote naaldhakken. Chinese bimbo’s die wankelend flaneren met flubberende fluo nylons rond hun magere knoken.

De Chinese schone een eind verder is duidelijk van een ander kaliber. Ik schat haar eind in de twintig. Ze draagt een zwarte minirok en heeft mooie benen. Haar nylons flubberen niet en haar naaldhakken zijn geen twee maten te groot. Enig minpunt, haar schoenen zijn felroze. Ik hou niet van felroze. Ik hou helemaal niet van roze. Roze is voor mietjes. Let wel, ik heb niks tegen mietjes maar wel iets tegen mietjes die roze dragen. Mietjes die roze dragen maken me depressief. Ze heeft een leuk gezichtje en een prima lichaam. Een dodelijke cocktail. Ze voelt mijn blik op haar gericht en kijkt me aan vanuit haar ooghoeken. Ik glimlach. Ze glimlacht flauwtjes terug, schuift wat zenuwachtig heen en weer op haar stoel, wringt haar minirok zedig naar omlaag en zwaait haar ene been over haar andere. Ik neem m’n rugzak die aan mijn voeten staat, stop m’n boek weg en loop naar haar toe. Ik zet me neer op de stoel vlak naast haar.

“Hello,” zeg ik aarzelend.

Opnieuw verschijnt een flauw glimlachje op haar lippen.

“Do you speak English?”, vraag ik.

Geen reactie. Niet dus. Het gros van de Chinezen, althans in Zuid China spreekt Chinees. Logisch, uiteraard. Maar ze spreken alleen maar Chinees. Als ze hen dus iets vraagt in het Engels, negeren ze je gewoon of kijken je aan als een gedrogeerd schaap.

“No English?”, vraag ik nogmaals.

Met een ruk draait ze zich naar mij toe, kijkt me vrank in de ogen en zegt: “Ja mijnheer, ik spreek Engels, Nederlands, een beetje Frans en Spaans en uiteraard ook Chinees.”

“Oeps, dat had ik nu niet onmiddellijk verwacht,” reageer ik enigszins verbaasd.

Ze glimlacht. Zelfingenomen trut, denk ik en glimlach terug.

“Ik ga er van uit dat je vakantie er op zit,” gaat ze verder.

Ik zie er inderdaad niet uit als een zakenreiziger.

“Ja, en jij?”

“Ik keer terug naar Nederland,” antwoordt ze terwijl ze haar onderbeen heen en weer wiebelt.

“Oh ja, terug naar Nederland.”

“Wat vind je er van?”, vraagt ze.

“Mooi.” Ik kijk gefascineerd naar haar wiebelende been. Ze volgt m’n blik.

“Ik bedoel, wat vind je van China?”, vraagt ze opnieuw.

“Mooi,” zeg ik nogmaals.

“Waar was je?”

“Rondreis in het zuiden, Sichuan, Guizhou, Guangxi, Fujian.” Ik som een aantal provincies op waar ik de afgelopen drie weken was.

“Niet onmiddellijk een toeristische route.”

“Neen, ik hou niet van al dat toeristische gedoe. Ik heb schijt aan het terracotta leger en aan jullie muur.”

“Het is niet mijn muur,” reageert ze bitsig. Ze haalt haar vingers door haar lange zwarte strakke haren.

“Ik bedoel, ik hou niet van dat commerciële gedoe. Chinezen verkloten hun cultureel patrimonium.”

“Chinezen willen vooruit.”

“Daarom hoef je geen tempels om te bouwen tot souvenirshops.”

“Er zijn tempels genoeg.”

Die trut heeft op alles een antwoord.

“Trouwens, jouw gids heeft je ongetwijfeld meegezeuld naar zulke dingen.”

“Tja, die spleetoog heeft het geprobeerd maar het is haar niet gelukt.”

“Spleetoog? Neen, laat maar. Ik ben het gewoon,” zegt ze en draait haar hoofd de andere kant op.

“Normaal heb ik het over rijstvreters,” reageer ik lachend.

Geen antwoord. Ze blijft de andere kant opkijken.

“Sorry dat ik je beledigd heb,” ga ik verontschuldigend verder.

“Ik heb de indruk dat je niet hoog oploopt met Chinezen.” Ze keert zich terug naar mij.

“Niet met allemaal. Ik vind de meesten doorgaans maar vuile, vieze, vettige ventjes. Ze slurpen, rochelen, spugen en laten scheten. Als ik zo’n rochelende rijstvreter hoor, dan komen m’n haren recht en als ie zo voor m’n voeten spuwt, heb ik goesting om hem een peer op z’n bakkes te geven.”

“Ik vind het ook niet zo netjes. Wij zijn het niet gewoon.”

“Hoe ben jij in Nederland beland?”, vraag ik in een poging om het gesprek een andere wending te geven.

“Hoe ben jij in België beland?”, is haar lakonieke antwoord.

“Ik ben er geboren. Trouwens hoe weet jij dat ik Belg ben?”

“Je praat als een Belg en je probeert me op een lullige manier te versieren.”

“Ik probeer je helemaal niet te versieren.” Ik kijk haar verontwaardigd aan. “Ik vind het gewoon fascinerend, een Chinese die Nederlands spreekt.”

“Mijn moeder was en Yao.”

“Dat is dan ook toevallig. Ik zag de Yao’s in Ping An.”

“Ze kwam uit de buurt.”

“Mooie streek. Prachtige rijstvelden.”

“Ik ben er nooit geweest.”

“Yao vrouwen wauwelen een paar woordjes Engels, zeggen constant hello terwijl de dollartekens in hun ogen flikkeren. Ze tonen je maar al te graag hun lange zwarte haren … als je er voor betaalt.”

“Het is allemaal de schuld van de toeristen. Trouwens, m’n vader heeft haar er weggehaald.”

“Weggehaald?”, herhaal ik nieuwsgierig.

“M’n vader komt uit Brielle, ligt in Zuid-Holland, was op reis in China, ontmoette mijn moeder in Ping An waar ze in het guesthouse werkte waar hij logeerde. Hij nam haar mee naar Nederland.”

“Je moet maar durven,” reageer ik lachend.

“Wat bedoel je? Ze kijkt me vragend aan.

“Een Chinese importeren in Nederland, dat is toch om problemen vragen,” antwoord ik.

“Ik heb m’n moeder nooit weten rochelen of op de grond spuwen, als het dat is wat je bedoelt.”

“Ja, dat bedoel ik.”

Een paar Chinese bimbo’s, afschuwelijk gemaquileerd, met opgespoten lippen en plastieken borsten wankelen voorbij op twaalf centimeter plateauzolen. Lelijke dwergen met witte knoken. Ik kijk blijkbaar bedenkelijk.

“Men zegt dat ze in het noorden groter en mooier zijn.”

“Ik ga ooit wel nog eens naar het noorden. Tibet spreekt me wel aan.” Ik ontwijk haar insinuatie.

“Slechte kwaliteit,” ga ik verder.

“Wat bedoel je?”, vraagt ze.

“Hun borsten. Silicone van slechte kwaliteit.” Ik knik in de richting van de passerende bimbo’s.

“Hoe weet je dat?”, vraagt ze me verwonderd aankijkend.

“Ik verzamelde ooit silicone borsten. Gebruikte wel te verstaan. Ik had er een paar honderd, de grootste verzameling in België. Toen er een aantal begonnen te lekken, kieperde ik het hele zootje in de vuilnisbak.”

Ze fronst haar wenkbrauwen.

“Grapje”, zeg ik lachend,”trouwens, hoe heet je eigenlijk?”

“Ophelia.”

“Verrassende naam voor een Chinese. Net als die biopolaire griet uit Hamlet die zelfmoord pleegde.”

“Ken ik niet en ik ben absoluut niet van plan om zelfmoord te plegen.” Er klinkt verontwaardiging in haar stem.

“Hou je niet van Shakespaere?”, vraag ik.

“Neen, ik geef de voorkeur aan Hugo Claus.”

“Aha, de Chinese hoer.” Ik lach.

“De Spaanse bedoel je.” Ophelia kijkt me verontwaardigd aan.

“Goed zo. Ik wou je even testen. Tussen haakjes, hoe ging het verder met je moeder?”

“M’n vader liet haar werken in zijn restaurant.”

“Een Chinees restaurant veronderstel ik.”

“Inderdaad, in Amersfoort. Kort na mijn geboorte ging hij op reis naar Indonesië. Hij bleef drie maanden weg en kwam naar huis met een Balinese. Hij liet mijn moeder in de steek en opende met dat mens een Indonesisch restaurant. Mijn moeder zette de Chinese zaak verder tot ze vorig jaar stierf. Kanker. Ik nam de zaak over. Nu weet je alles. Nog iets?”

Ik trok een bewonderend gezicht.

“Mooi eiland, Bali. Ben er ook ooit geweest. Twee maal zelfs. Heb je nog contact met je vader?”

“Neen. Hij verhuisde een tiental jaar geleden naar Thailand.

“Laat me raden. Om een restaurant te openen?”

“Neen, een hoerentent.”

“Een vent met ballen, je vader.”

“Neen, helemaal niet, een klootzak.”

“Jij maakt dus geen deel uit van het gele gevaar?”

“Wat wil je daar nu mee zeggen?”

“Simpel, men heeft het al jaren over het gele gevaar. We leerden op school dat een dreigende overheersing door de enorme bevolkingsgroei in China een gevaar voor het westen was. Als kind speelden we geen cowboy en indiaan maar gooiden we atoombommen op de koppen van die rijstvreters. Tora Tora Tora. Jij bent Nederlandse, dus ongevaarlijk.”

“Dat van Tora Tora Tora waren de Japanezen.”

“Moet jij dan altijd het laatste woord hebben?”, vraag ik alsof ik geprikkeld ben.

“Enkel als ik gelijk heb en meestal heb ik gelijk.” Ze lacht.

Opnieuw kraakt onverstaanbaar gewauwel door de luidsprekers.

“Was dit voor ons bestemd?”, vraag ik.

“’k Weet het niet. Ik heb er niets van verstaan.”

Een papperige veiligheidsagent loopt tussen de rijen wachtenden door. Het lijkt me een afgeleefde sumo worstelaar met veel veloverschot. Twee varkensoogjes kijken me doordringend aan. Hij heeft enorme zweetvlekken onder zijn oksels. De man doet me denken aan Jean Marie D, een uitgerangeerde Vlaamse politicus met een erg groot bakkes. Hij blijft voor ons staan en zegt iets tegen Ophelia. Zij schudt haar hoofd en haalt haar schouders op. De gele papzak loopt waggelend verder.

“Wat vroeg hij?”

“Of die bleekscheet me lastig viel.” Ze knikt in mijn richting.

Ik lach.

“Ik val je toch niet lastig, of wel? Ander onderwerp. Ik was gisteren op het strand in Xiamen.”

“Ja, en?”

“Wat me opviel, geen enkele Chinese in badpak of bikini. Nochtans het was prachtig zonnig weer.”

“Chinese vrouwen zijn preuts.”

“Preuts? Waarom lopen er dan zo veel met de helft van hun kont bloot?” Ik knik in de richting van de twee bimbo’s die tegenover ons gaan zitten zijn.”

“Daar heb jij toch geen last van,” reageert Ophelia.

“Neen, wat mij betreft mogen ze zelfs een niqab dagen.”

“Een niqab?”

“Ja, een niqab, je weet wel, zo’n ding dat alles bedekt met enkel alleen een opening voor de ogen. Chinese oogjes door het spleetje. Lekker opwindend.”

“Opwindend? Je weet toch niet wat er verder achter schuilt. Het kan net zo goed een aartslelijk schepsel zijn.”

“Geef mijn mannelijke fantasie alsjeblieft wat ruimte. Neen, alle gekheid op een stokje, maar als Chinezen zo preuts zijn, waarom zitten ze dan op een rijtje, naast elkaar, te schijten met hun kont hangend boven een gat in de grond?”

“Elk volk heeft zo zijn gewoontes denk ik.”

“Mooie gewoontes. Bovendien, heb je die Chintokken al eens bezig gezien op restaurant. Ze vreten alles wat poten en oren heeft en hun afval kieperen ze gewoon op het tafelkleed en op de grond. Mooi zootje.”

“Ik zei het al, elk volk heeft zijn gewoontes. Trouwens heb je Nederlanders al eens bezig gezien op restaurant, die kunnen zich ook best beestig gedragen hoor.“

“Chinezen eten varkensdarmen, schildpaddenkloten, kippenpoten, viskoppen en geitenmagen. Ze slaan alles in hun kas.”

“Zal wel zijn. Maar bij ons worden die dingen gewoon door de molen gedraaid en eten we een oh zo lekkere fri-kan-del. Snap je?” Ik knik instemmend.

“Wist je dat Chinezen honden eten?”, vraag ik.

Ja, dat weet ze.

“Chinezen eten alles en we doen er niks aan.”

“Wat wil je dat we er aan doen? Het is toch ons probleem niet.”

Daar had ze een punt.

“Mao, die had het moeten verbieden. Naar Mao luisterden ze wel. Ze hadden geen keuze. Als Mao had gezegd: Stop met dat barbaars gedoe. Hij die het nog waagt om hond te eten wordt opgehangen en gevierendeeld, ik geef je op een blaadje. Geen Chinees zou het nog gewaagd hebben om hond te eten. Daarbij, m’n schoonbroer had me verwittigd,” zeg ik.

“Hoe, verwittigd?”

“Van de rotzooi.”

“Rotzooi? Schoonbroer?”

“Jullie noemen zo iemand zwager. Gerrit. Komt uit Zwolle. Koopt massaal Chinese brol voor kermiskramen en lunaparken, je weet wel, speelgoedgeweertjes, nep Mickey Mousen en condooms met flikkerlichtjes.”

Ophelia lacht.

Helga komt aangeslenterd.

“Zo stinken,” en ze laat zich met een diepe zucht op de stoel naast me vallen.

“Wie?”

“Niet wie. Wat! Die WC’s,” en ze tekt een vieze smoel. “Gezelschap gevonden?”, gaat ze verder op cynische toon, knikkend in de richting van de Chinese naast me.

“Ophelia.”

“Die del uit Hamlet die zelfmoord pleegde?”, lacht ze

“Ophelia spreekt Ne-der-lands en is niet van plan zelfmoord te plegen.”

“Mooi zo.”

“Ophelia heeft een Chinees restaurant in Utrecht,” ga ik verder.

“En dan? Valt hij je lastig juffrouw Ophelia?”

“Neen,” antwoordt ze schuchter.

Helga neemt een tijdschrift en begint te lezen

“Aan China is er nog veel werk,” zeg ik.

Ons braaf chineeske komt plots uit haar kas. Haar ogen hebben iets onpeilbaars.

“Wat de fuck kwam je hier in feite zoeken?”

“Originele dingen,” antwoord ik.

“Wat bedoel je me originele dingen, Chinese vrouwtjes met kleine voetjes? Wat vind je van mijn voetjes? Mao? Kwam je Mao zoeken? Of zijn rooie boekje? Ze hebben hier nog nooit gehoord van het rooie boekje. Wat kwam je zoeken? Een Chinees restaurant. Die bestaan hier niet. Die bestaan alleen in jouw en mijn klotelanden.”

Ho, ho, ge moet zo nie van uwe Chinese foert maken.” Haar irritatie doet me glimlachen.

“Ander onderwerp.” Hoge tijd om over iets ander te beginnen, vind ik.

“Heb je een vriendje Ophelia?”

“Ik had er eentje, een Tsjetsjeen.”

Mijn nekharen komen recht.

“Een Tsjetsjeen. Waarom in godsnaam een Tsjetsjeen. Dat is om problemen vragen.”

Ze haalt haar schouders op en zegt: “Ik heb het uitgemaakt omdat hij steeds maar zei dat ik een stom wijf was.”

Iemand met zo’n verstandige in zijn spleetogen kan nooit een stom wijf zijn. Iemand die zo iets zegt moesten ze met zijn teelballen aan de luster ophangen

“Heel verstandige keuze,” zeg ik.

Opnieuw gekraak en gewauwel via de luidsprekers.

Ik zag Ophelia nog even terug op Schiphol.Ik heb haar toen veel kroepoek, loempia’s, Koe Low Kai en Babi Panggang toegewenst. Ze glimlachte.

11:28 Gepost door Guido De Greef in Blog, Boeken, Ontspanning, Reizen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

05-11-12

reisverslag Mexico Guatemala Belize

op vraag van velen, het verslag van onze rondreis in Maxico Guatemala en Belize.

 

dag 1, vrijdag 3 april

Donderdagavond (gisteren dus) thuis vertrokken. Via Schiphol en via Madrid een goeie 30 uren later aangekomen in Mexico City. Klok 8 uren teruggedraaid en net genoeg energie voor een douche.

 

 

dag 2,  zaterdag 4 april

Bij het ontbijt maken we kennis met de groep en ja, weeral zijn we de enige Belgen.

Daarna een flinke stadswandeling gemaakt door het oude centrum van de stad. Mooie meestal scheefgezakte koloniale gebouwen. Opvallend massaal aanwezig in het straatbeeld : zwaarbewapende politie en militairen met kogelvrije vest. Leuker dan weer : de vele groen en witte VW kevers taxi's. Rond de prachtige kathedraal is veel te zien en the place to be om je eigen kwade geesten te laten verdrijven via spectaculaire rituelen. De Azteken voorouders kijken zeker vanuit de nabijgelegen ruines argwanend mee.

Na de middag verlaten we het centrum en rijden we naar Xochimilco. Het Venetië van Mexico. Kleurrijke platbodems worden door smalle kanalen geduwd. Overal hoor je muziek en gelach en wordt er gedanst. Kleine bootjes varen dan weer langs en verkopen drank en eten. Je ziet hier opvallend weinig toeristen maar vooral Mexicanen komen hier om te feesten of om zich te amuseren.

Morgen staat er nog een dag Mexico City op het programma.

 

 

dag 3, zondag 5 april

Gisteravond nog lekker gegeten op een terrasje. Op het plein voor ons dansten honderden Mexicanen ritmisch begeleid door onophoudelijk trommelgeroffel.

Voorbije nacht ging het er erg lawaaierig aan toe in ons hotel. Dit in combinatie met de jetlag en het feit dat we de klok een uurtje moesten vooruit zetten (Mexicaans zomeruur) zorgde er voor een erg kort nachtje.

Vandaag zondag. Heel wat straten van de City zijn verkeersvrij.  Met de bus maken we een uitstap naar Teotihuacan. Vicky, onze plaatselijke gids, een komische spraakwaterval spreekt gebroken Nederlands met ... een Brugs accent. Blijkt dat haar moeder van Brugge afkomstig te zijn.

Tussenstop aan de Baselica van de maagd van Guadelupe, de drukstbezochte katholieke kerk van Amerika. Er is net de processie van palmzondag aan de gang. Emotioneel en erg indrukwekkend. Duizenden Indianen wonen deze plechtigheid bij.

Verder op weg naar Teotihuacan, langs de weg, een langgerekt lint van krottenwijken, eindeloos lang. IJzeren golfplaten en houten paletten zijn de belangrijkste elementen. Hier is duidelijk armoe troef.

Teotihuacan, een prachtig oud tempelcomplex, enorm uitgestrekt waar volgens de Azteken "de goden worden geboren". Op de site twee pyramides waarvan één de grootste ter wereld. Een pyramide beklimmen onder een loodzware zon is gekkenwerk maar wat wil je, je komt maar 1 keer in Mexico. Ook hier opvallend weinig westerse toeristen, des te meer Mexicanen. Naar de top van de pyramide toe is het zelfs file lopen. Terug beneden wacht ons een horde souvenirverkopers, net als elders kleurrijke maar vooral kitcherige prullen.

Terug in Mexico City, even verfrissing gezocht in het zwembad van ons hotel. Daarna een wandeling gemaakt door het grote park waar duizenden Mexicanen hun zondag doorbrengen met dans, muziek en eten. Erg sfeervol en weer komen we ogen te kort.

Op de Place Garibaldi spelen Mariachi orkestjes met hun rijkbewerkte kostuums piekfijn uitgedost, verzoeknummertjes. Nog even de Torre Latino America op, 44 verdiepingen hoog en een vlugge hap aan een straatstalletje en de zondag zit er op.

 

 

dag 4,  maandag 6 april

We verlaten het drukke Mexico City en rijden naar Oaxaca waar we in de late namiddag zullen aankomen. Onderweg een tussenstop in Puebla, straf katholieke bedoening met meer dan 200 kerken. Kleurrijk druk oude centrum met veel mooie gebouwen en sfeervolle straatjes en pleintjes.

Tussen Mexico City en Oaxaca, diverse landschappen maar het meest spectaculaire zijn de eindeloze kale bergflanken doorprikt met miljoenen cactussen. Op andere plekken dan weer bezaaid met van die grote "kapstokcactussen",  net prentjes uit een cowboyfim. Soms 50 km geen mens of huis te zien.

Rond 18 uur en 400 km later komen we aan in Oaxaca. De check in in ons hotel verloopt erg moeizaam. De groep zit verdeeld over twee hotels. Onze kamer blijkt niet groter te zijn dan een vogelkooi. We krijgen een "appartement"  in het andere hotel, ruimte zat.

Daarnet gingen we eten in een lokaal restaurantje. Ik heb de indruk dat gans Oaxaca op straat is. Erg sfeervol. Een smeltkroes van geuren, kleuren en klanken.

Nu gaan we naar ons bedje. Tot een van de volgende dagen. 

 

 

dag 5, dinsdag 7 april

 

Bezoek aan Monte Alban, een antiek en indrukwekkend Zapotheken tempelcomplex aan de rand van Oaxaca. Zapotheken zijn één van de zestien  etnische minderheidsgroepen die hier in de streek van Oaxaca wonen. Ons Indiana Jones gevoel wordt sterk aangewakkerd al zijn de schatten hier vervangen door prularia souvenirs.

 

s Middags even een stop aan een enorme grote en stokoude boom waar de natuur met heel veel fantasie een pak figuren in getoverd heeft. Het amusante is dat de uitleg er gegeven wordt door gidsjes van amper 6 jaar jong. Koddig.

Daarna met de groep Mexicaans specialiteitenbuffet gegeten. Enkel de molo (kip met chocoladesaus en chili) kon ons niet bekoren. Voor de rest supermmm.

Twee dingen hebben we inmiddels al geleerd. Mezkal zal nooit mijn lievelingsdrank zijn en Helga zal nooit kampioen pyramidelopen worden.

Na de middag verkennen we Oaxaca, een plezant Mexicaan stadje met zijn typische huizen (alles plat, plat dak, kleine getraliede ramen, aardkleuren). Je verwacht elk moment dat Zoro om de hoek zal verschijnen. Achter iedere deur schuilt wel een prachtige patio, soms verrassend design gerestaureerd. Overal kan je zo binnen lopen. Oaxaca, een Ali Baba cultuurgrot. Grafitti busje is hier nog niet gepasseerd. Zou enorm veel werk hebben. Dient gezegd at er prachtige kunstwerken tussen zitten.

s Avonds opnieuw de sfeer gaan snuiven en terrasje pikken op het socolo (centrale plein). Het orkest op de kiosk speelt de french cancan en overstemt het feestelijke rumoer van de 1000den Mexicanen en handvol toeristen.

 

 

dag 6,  woensdag 8 april

Al om 5 uur 30 op want vandaag staat een superlange busrit van 700 km op het programma. We volgen de Pan American Highway. Stelt niet veel voor, een simpele 2vaksbaan. De eerste uren gaat het door de bergen. Weliswaar prachtig landschap maar de maagjes krijgen het hard te verduren. Leukerds die Nederlanders, ze laten geroosterde sprinkhanen de bus rondgaan. Op de koop toe broebelt het in mijn onderste regionen. Tegen de middag slingert de weg zich tussen heuvels, net speldenkussens, bezaaid met agaven.

Na de lunch verlaten we de bergen en rijden door een eindeloze vallei, vaak door enorme mangoplantages. De temperatuur stijgt met de kilometer en nadert de 40 graden. Gelukkig doet de airco het goed.

Rond 19 uur komen we in Chiapa De Corzo. Althans dat dachten we tot plots een zwaar ongeval vlak voor ons de weg totaal verspert en het een uur later wordt.

Chiapa De Corzo een mooi klein stadje met een enorm groot socolo (plein). En wie zegt dat Mexico duur is : in een lokaal restaurantje gegeten en gedronken (lekkere scampi’s) voor samen 8 euro.

 

 

 

dag 7,  donderdag 9 april

Vandaag. In Chiapa De Corzo varen we met een snelle motorboot door de Sumidero canyon. Een imposante kloof met wanden tot 1000 meter hoog. Prachtige fauna met vooral aasgieren, kleine witte reigers, aapjes en ... krokodillen. 

Rond de middag rijden we verder naar Palengue via San Cristobal. De weg slingert zich door de bergen en langs veel Indianendorpen. Veelal kleine houten huisjes met golfplaten dak. In deze streek zijn de Zapathisten guerillia nog gematigd actief. We krijgen onderrichtingen voor het geval we zouden overvallen worden. Vele militaire aanwezigheid hier in de streek.

6 uur later, 220 km  en 877 verkeersdrempels verder komen we aan in Palengue. Nog wat inkopen gedaan in een supermarkt en deze avond lekker gegeten samen met de ganse groep.

Tot de volgende

 

 

dag 8, vrijdag 10 april

Palengue stelt niet veel voor maar is vooral gekend voor zijn indrukwekkend oude Maya site aan de rand van de stad. Ooit eeuwen geleden verlaten door de Maya's, volledig overwoekerd geworden en nog niet zo lang geleden, ontdekt en voor een klein deel blootgelegd en gerestaureerd. Na een paar uur tussen de imposante ruines trekken we de jungle in voor een wandeling. Niet onmiddellijk een overlevingstocht maar voldoende om een indruk te hebben van de kracht en de pracht van het oerwoud. Meer nog, we realiseerden ons plots dat we op en tussen  de nog overwoekerde en niet blootgelegde Maya tempels liepen.

Na de middag tijd om te relaxen.Ons hotel heeft geen zwembad maar we mogen bij de buren. Lekker fris bij 40 graden in de zon. Aap en leguanen kregen we er gratis bij.

Tijd voor een woordje over de Mexicanen : meestal goedlachs en vriendelijk. Mexicaanse mama's zitten doorgaans goed in het vlees en el hombre is fier op zijn buikje. Officieel omwille van het vele maïs eten. De heilige Obesitas is duidelijk de nieuwe patroonheilige van vele Mexicanen.

Alhoewel Petengue niet veel te bieden heeft hebben we er erg lekker gegeten en heerste er op de socolo een gezellige bedrijvigheid.

Tot morgen

 

 

 

dag 9,  zaterdag 11 april

We verlaten Palengue en rijden weer de bergen in richting San Cristobal. Vele bochten in het verschiet. Onderweg maken we een stop aan de watervallen van Agua Azul. Leuk maar erg veel volk, vooral Mexicaanse toeristen want voor hem is het nu ook vakantie.

Rond 16 uur komen we in San Cristobal, een erg bruisend stadje.

Tijdens de check in in ons hotel een eerste verrassing van formaat : Marc (een collega) en zijn vrouw Gladys komen doodgemoederd het hotel binnengewandeld. We drinken samen een glas op het socolo. Zij trekken morgen verder naar Palengue.

Na een heerlijke Mexicaanse biefstuk en een flesje wijn keren we terug naar ons hotel. Zien we daar plots Georges (nog een collega) en Suzie zijn vrouw op een terrasje zitten. Van surprise nummer twee en van toeval gesproken. Ook dit hebben we natuurlijk gevierd met enkele mojitos. We wisten van elkaar dat we naar Mexico gingen maar elkaar er ontmoeten op dezelfde dag in dit grote land was een enorm toeval. Morgen is het Pasen.

dag 10,  zondag 12 april

Paaszondag en dat is in het diepgelovige Mexico goed te zien. Overal bomvolle kerken. 

Wij bezoeken vandaag twee indianendorpen waar het er nog erg traditioneel aan toe gaat. In Zinancantan is de monotone rondedans van de stamhoofden in hun kleurrijke kledij en sandalen erg indrukwekkend. Fotograferen mag niet. Kwestie van hun zieltjes niet te kwetsen. Iedereen, zowel mannen als vrouwen dragen hier diepblauwe met bloemenmotieven versierde kledij.

Daarna gaat het naar San Juan Chamanula, ook een Maya dorp. Paaszondag en er vinden tal van religieuze plechtigheden plaats. Vooral de activiteiten op het kerkplein en in de kerk zijn indrukwekkend. Her en der lopen leiders of stamhoofden rond. Ze dragen een witte tuniek met halflange broek en een brede oranje heupgordel. Kleurrijke linten versieren hun tuniek en hun witte hoofddoek. Hun sandalen zijn nog de typische Maya sandalen.

In de kerk hangt een heel bijzondere sfeer. Er staan geen stoelen, de vloer ligt bezaaid met dennennaalden. Alles heeft een wanordelijke indruk. Her en der zitten families op de grond te bidden rond een massa kaarsen (in de kerk staan er duizenden kaarsen in alle vormen en formaten). Op andere plaatsen spelen groepjes muzikanten hun monotone melodiën. Een biezondere kakafonie. Overal hangt de doordingende geur van wierook. Aan de muur hangen glazen kasten met kleurrijk aangeklede heiligen. Overal in de kerk wordt een lokale sterke drank geschonken en gedronken. Resultaat te zien op het kerkplein maar het en der indianen hum roes uitslapen.

Op het kerkplein zelf gaat een processie rond. De stamhoofden keuren de stoet. Ook hier is het verboden om mensen te fotograferen. Op het plein lopen lokale ‘poltiemannen’ rond. Ze dragen een witte of zwarte wollen overgooier en een lange zwarte houten stok. Ze hebben het vooral gemund op zij die toch foto s nemen. Als ze iemand in de gaten krijgen gaan ze er met een 30tal man op af. Dat heeft iemand van onze groep aan de lijve mogen ondervinden. Hij kwam er van af met het wissen van de foto. Normaliter moet het geheugenkaartje afgegeven worden (zegt de gids). Onophoudelijk worden op het kerkplein vuurpeilen op primitieve wijze de lucht in geknald. Ook hier loopt quasi iedereen nog rond in traditionele kledij. De vrouwen met een dikke lange zwarte wollen rok opgehouden door een brede heupgordel. Daarboven een kleurrijke blouse. De mannen dragen doorgaans een witte wollen overgooier (en zeggen dat het nu rond de 40 graden draait) en witte hoed.

Rond 15 uur zijn we terug in San Cristobal.De rest van de dag wordt het wat luieren en kuieren. Helga haar Spaanse lessen zijn hier al goed van pas gekomen. Ze kan een aardig mondje meepraten. Vooral nuttig wanneer een dronken kelner ons probeert op te lichten. Met alle Mexicanen maar niet met Helga…

Morgen trekken we verder naar Guatemala.

 

dag 11, maandag 13 april

Vandaag staat een lange rit naar Guatemala op het programma. Niet echt veel te beleven. Dus tijd voor wat algemeenheden. Wat onze reisgenoten betreft, het sterke groepsgevoel dat we vorig jaar in Vietnam ervaarden is hier wel wat minder aanwezig. Het aantal keren dat we  "eve kijke" en "hartstikke leuk" horen daarentegen is ontelbaar. Dat wordt weer verbaal afkicken na de reis.

Op de middag rijden we Guatemala binnen. Het valt dadelijk op dat het openbaar leven hier een stuk chaotischer verloopt dan in Mexico. Het lijkt ook armoediger. We rijden de bergen in. Op de flanken, verspreid op kleine omgeploegde akkers en velden staan kleine lemen hutten met golfplaten dak. De terreinen zijn met aarden muurtjes omwald en vormen een grillig patroon in het landschap. Langs de weg staan recentere, eenvoudige, grijze, grauwe huizen. Verf lijkt hier een luxeartikel. Traditioneel geklede Indianenvrouwtjes doen de was in het riviertje dat langs de weg loopt.

Aan een druk kruispunt houden we een stop. Het gaat er erg chaotisch aan toe. Uit alle richtingen komen chicken busses aangereden. In feite oude Amerikaanse schoolbussen in een nieuw kleurrijk en blinkend kleedje gestopt. Deze bussen zijn hier in Guatemala het openbaar vervoer bij uitstek. De mensen zitten er wel in al sardines in een blikje.

Laat in de middag dalen we spectaculair af uit de bergen af naar het Lago De Atitlan, een erg mooi bergmeer met zicht op drie vulkanen. In het stadje Panajachel zullen we drie dagen blijven. Ons hotel ligt aan de rand van het meer. Op het eerste zicht lijkt het ons hier fel toeristisch maar dat zien we morgen dan wel weer. In ieder geval staan er enkele toffe excursies op het programma.

Morgen meer dus.

 

dag 12, dinsdag 14 april

Zoals gisteren al geschreven logeren we voor het ogenblik in Panajachel aan het meer van Atitlan. Deze morgen staken we met een motorboot het meer over naar San Juan La Laguna. Er hangt een mist over het meer. De omtrekken van de vulkanen zijn vaag te zien. Deze vulkanen zijn nog actief. Hun rookpluimen slieren boven de kraters en verdwijnen in de mistige lucht.

Na een uurtje varen bereiken we San  Juan La Laguna. Daar trekken we met pick ups de bergen naar Santa Clara. Pick ups zijn na de chicken bus het tweede populaire voertuig in Guatemala (je hebt ook nog de tuk tuks, driewielbromfietsen voor de korte afstanden). Het gaat rechtstaand in de laadbak achteraan. De stofferige weg slingert zich erg stijl omhoog. De zon brandt fel. Langs de weg, pover geklede indianenvrouwen die zware takkenbossen dragen op het hoofd. Anderen zeulen de zware last op hun schouders naar boven vastgehouden met een hoofdband. Achter de vrouwen lopen boeren met lange machetes aan de riem. Af en toe zien we hoe er koffie wordt geplukt.

Santa Clara is een heel traditioneel Indianendorp. Toeristen komen hier zelden. De markt is volop aan de gang. Erg kleurrijk. Quasi iedereen draagt hier de traditionele kledij, doorgaans kleine kleurrijke motieven verwerkt in strepen. Blauw is wel de overwegende kleur. We nemen heel wat foto's al wil wel niet iedereen op de foto en duiken ze weg wanneer ze een fototoestel zien (kwestie van het zieltje niet te verliezen weet je nog). Ook de mannen dragen hier een rok, in feite een grauwe bruine lendendoek opgehouden met een brede heupband. Op de middag varen we terug naar Panajachel. Er is wat wind opgestoken. Het water is wat ruwer. Het is minder mistig en de vulkanen zijn nu goed te zien.

Na een korte rust nemen we de chicken bus naar Solola, een stadje in de bergen boven Panajachel. Het overvolle krakende en piepende vehikel sleurt en slingert zich huilend naar boven over de angstwekkend steile weg. Ook in Solola is de markt aan de gang. We komen weeral ogen te kort. Ook hier lopen de indianen rond in de traditionele kledij. Mannen dragen hier wel een soort tuniek. Opvallend is dat de vrouwen hun kleinere kinderen meezeulen in een draagdoek op de rug. Als bambino van zich laat horen gaat zonder verpinken de blouse open, floept de borst er uit en najm njam. Na een dik uur houden we het voor bekeken en keren we met de chicken bus terug. We hebben een plaatsje versierd op de voorste rij, kwestie van onze gevoelige magen wat te sparen bij het vele bochtenwerk. Komt daar een dikke Mexicaanse haar kont persen tegen die van Helga op een bankje dat net plaats genoeg biedt voor twee. Senorita hing wel met één bil boven de smalle middengang.

Ook nog vermelden dat wij vandaag met de "blauwe eikel" rondlopen, een halsketting met blauwgeschilderde eikels. Het ding wordt dagelijks toegekend aan iemand of koppel van de groep die zich in de kijker heeft gewerkt de voorbije dagen. Waarschijnlijk was het loutere feit dat wij Belgen zijn, voldoende om gelauwerd te worden ... Wat de intergratieproef betreft, onze kennis over Nederland was beduidend laag. Enkel de namen van de drie kinderen van Alexander en Maxima wisten we (net voordien gelezen in een artikel in de Flair).

Dat was het voor vandaag.

 

 

dag 13,  woensdag 15 april

We zijn dus nog steeds in Panajachel. In de groep zijn nog geen vaste kliekjes ontstaan. De ene keer trek je met die op, de andere keer met een ander koppel of koppels. Het toeval beslist meestal.

Na het pancakes ontbijt wordt het weer bootje varen op Atitlan Lake. er hangt weeral een mistsluier over het water en over de vulkanen. Rond het meer liggen tegen de bergen de 12 aposteldorpen, alle bewoond door inheemse indianen. Onze eerste stop is in Santa Catharina. We kopen er koffie in een fare trade winkeltje en wandelen door het kleine rustige dorpje.

Daarna varen we verder naar Santiago Atitlan, het dorp van de indianengod Machimon. Die woont er in een gewoon huis en verhuist 1 keer per jaar van woning. Met tuk tuk rijden we van het meer naar het huis waar de god thans woont. In een obscure ruime kamer hangt een bijzondere sfeer. Er is net een ritueel aan de gang.  Drie indianen zitten rond een grote tafel tegen de muur en dringen bier. Voor de tafel staat de kleurrijk aangeklede Machimon op de grond. Enkel zijn uit hout gesneden kop is zichtbaar. Op het hoofd draagt hij twee zwarte hoeden met rand. Rond de nek wel 8 dassen van verschillende kleur. Een soort poncho reikt tot op de grond. In zijn mond zit een rokende sigaar. Voor het beeld zitten twee andere indianen op de knieën op de grond. Ze ontsteken kaarsen en sprenkelen er lokale sterke drank rond. Een van de indianen heeft zichtbaar al meer zelf van de drank  gedronken dan geofferd. De zoldering van de kamer is net honderden linten behangen. Op diverse plaatsen in de kamer branden grote dikke kaarsen op de grond. In de hoek van de kamer staat een glazen kast met een opgebaard aangeklede Christusbeeld. In en andere hoek staan een 10tal grote houten kleurrijk aangeklede beelden. In de kamer hangt een wolk van wierrook. Voor Machimon staat een schaal waarin de bezoekers quetzals (Guatamalteekse munt) kwijt kunnen. Fotograferen mag hier wel ... als je 10 quetzals betaalt (+/- 1 euro). Of hoe zieltjes toch verkocht worden...

Santiago Atatlan heeft een bewogen geschiedenis achter de rug, zowel wat aardbevingen betreft als guerillia activiteiten. We lopen door zijn kerk met kleurrijk aangeklede beelden langs de muur, een verzameling van soms bizarre figuren. Indianen bidden luid ingetogen geknield voor het altaar. We kopen er nog wat souvenirs in de drukke winkelstraat en keren terug naar de boot.

Het vlakke water heeft inmiddels plaats geruimd voor kabbelende golven. We verlaten Santiago en varen verder tussen kleine primitieve houten vissersbootjes hevig wiegelend op de golven. Na een nieuwe stop in San Juan, de lunch en een zwempartijtje in het meer, keren we terug naar Panajachel. De wind steekt meer en meer op en onze boot danst op de golven.

Terug in Panajachel, nog vlug even geld wisselen. Nu ja vlug, ontvangst in de bank met een riot gun onder de neus, vervolgens door een metaaldetector en dan wachten op een bankje met naast ons drie indianen vrouwen. Een van hen draagt een kleuter van drie in de draagdoek en ja daar gaan we, floep en de rest ken je al.

Morgen trekken we verder

 

 

dag 14, donderdag 16 april

Eerst nog een woordje over gisteren. In meer toeristische plaatsen zoals Panajachel is de kans groot dat je om de haverklap aangeklampt wordt door kinderen die souvenirs verkopen. Zaten we rustig met ons beiden te eten op een leuk terrasje. Stond daar Miguel naast ons tafeltje, gefascineerd te kijken naar een sprookjesfilm op het grote TV scherm aan de muur. Onder zijn arm een mandje vol met prularia. Na 10 minuten keek hij plots op en wonderbaarlijk, hij vroeg niet om iets te kopen maar begon honderduit vragen te stelen, van waar we waren, hoe we heten, hoe ver België lag, enz. Op zijn beurt beantwoordde hij rustig en vriendelijk al onze vragen. Bleek dat hij 10 jaar oud was, in Santa Catharina woont maar door de week in Panajachel verblijft en er naar school gaat en hij s avonds  de straat op moet tot hij een bepaald bedrag verkocht had. De zondag keerde hij voor 1 dag terug naar huis. We gaven hem drie vierkleurenpennen. Hij dankte beleefd, drukte zijn schat tegen de borst en liep snel even verder een huis binnen, vlug zijn vriendjes ontwijkend

Vandaag trekken we verder noordwaarts Guatemala. Na anderhalf uur komen we in Chichicastanago, gekend voor zijn markt, beschouwd als de spectaculairste van heel Midden Amerika. Inderdaad kleurrijk maar naar onze mening ietwat te toeristisch getint. Een wandeling naar de op een heuvel gelegen offerplaats Pacual Abaj vonden we dan weer meer biezonder. Fascinerend schouwspel van gebeden, wierook en offerandes aan een stenen god, niet meer dan een paar opeengestapelde rotsblokken.

Na de middag rijden we verder naar Antiqua, de vroegere hoofdstad van Guatemala. We komen er aan in de late namiddag. Op het eerste zicht een leuk stadje met een rechthoekig stratenpatroon. Mooie kleine huisjes met laag Spaans pannendak. Een kleurenpallet van pasteltinten. Straten geplaveid met gepolijste mini kasseistenen. We logeren hier in een leuk koloniaal hotelletje. Minpunten,  de ontvangst door een onvriendelijk Amerikaans wijf die hier blijkbaar de boel runt en het feit dat onze bus niet tot aan het hotel kon rijden. Geloof me, driehonderd meter met loodzware valiezen over kasseikopjes zeulen is niet prettig.

Antiqua heeft het in de loop der tijd zwaar te verduren gehad en dit is nu nog te merken, aardbevingen, orkanen, vulkaanuitbarstingen. Ja, de skyline van Antiqua wordt getekend door de driehoeken van omliggende vulkanen .

Morgen beklimmen we de nog steeds actieve Pacaya vulkaan. We moeten zelf zorgen voor ons ontbijt en lunch en doen inkopen in een lokaal grootwarenhuis, whats in a name. Primitief, beperkt aanbod en toch ligt de levensduurte in Guatemala een stuk hoger dan in Mexico.

Simpel gegeten in een salsa restootje. Vroeg naar bed want morgen moeten we er om 5.30 uur uit.

 

 

 

dag 15,  vrijdag 17 april

Het vooropgestelde uurtje bus naar de Pacaya vulkaan zijn er uiteindelijk twee geworden. Het laatste uur gaat het tergend traag via een hotsende en botsende zandweg. Eindelijk loopt de weg dood in een dorp op de flank van de vulkaan. Van daar gaat het te voet. Eerste een uurtje door een bos, vergezeld van indianen te paard die de oren van je hoofd zagen om toch maar op hun paard te kruipen in plaats van te voet je te vermoeien. Na een half uur geven ze het op. Na een uur komen we uit het bos. Voor ons ligt een vallei van gestolde lava. Een maanlandschap. In de verte zien we de gloeiende lava van de berg stromen. We lopen richting van de lava. Af en toe horen we de vulkaan brommen. Nog een paar 100 meter van de lava en het wordt warmer en warmer. We gaan zo dicht we kunnen. Fascinerend. Bij momenten is de hitte bijna niet te dragen. Na een kwartiertje keren we terug. Het was een prachtige ervaring.

Halfweg de middag zijn we terug in Antiqua. Nog voldoende tijd om dit prachtige stadje te verkennen. Deze avond lekker gegeten in een Trotter restaurantje. Morgen erg vroeg trekken we verder. Tot dan

 

 

dag 16,  zaterdag 18 april

We verlaten Antigua vroeg in de morgen. Heel wat van de groep lopen er belabberd en letterlijk leeggelopen bij. Vandaag wordt het een lange rit naar Flores, ergens in noord Guatemala. We verlaten de bergen en de gemiddelden van 25 graden de laatste dagen en rijden richting gemiddeld 35 graden en de muggen.

Ik heb nog niet gesproken over onze reisleidster M, een jonge Nederlandse die reeds lange jaren in Latijns Amerika werkt en ook meestal woont. Doet haar best om alles vriendelijk in goede banen te leiden wat haar meestal ook lukt. Minpunten : durft de groep wel eens meesleuren naar duurdere restaurants (lopen wij niet in) en is soms nogal vaag of onduidelijk wanneer het om praktische uitleg gaat.

Rond 6 uur 's morgens rijden we door Guatemala stad, de hoofdstad. Ook hier heel wat laagbouw omwille van het gevaar op aardbevingen. Het is er druk maar niet hectisch. Net als elders in Guatemala en ook in Mexico verloopt het verkeer tamelijk gedisciplineerd. De wegen liggen dan wel bezaaid met ontelbare verkeersdrempels en snelheidsremmers. Hier lopen de bewoners er Westers bij. Massa's chicken busses die luid en langdurig toeterend een hoofdrol spelen in het verkeer en op grote kruispunten een pak zwaarbewapende militairen.

Na Guatemale stad rijden we door Lucky Luck en Dalton landschappen en langs dito dorpjes. Een brede vlakte geflankeerd door indrukwekkende bergmassieven. Geregeld houden we een stop en je houdt het niet voor mogelijk wat velen van onze reisgenoten naar binnen schrokken, zowel op de bus als tijdens die stops. 's Middags lunch stop in Rio Dulce nabij de Golf van Honduras. De meesten van de groep laten zich nog wat dollars uit de zak jagen voor een kort boottochtje op de gelijknamige rivier. Wij zoeken en vinden een heel gezellig backpachers restaurantje met tafeltje aan de rand van het water. Super gezellig. Een pelikaan scheurt over het water.

Aan de grens  met de Peten regio, fruitcontrole. Bepaalde fruitsoorten mogen hiet de streek niet in en onze bus wordt doorzocht.

Tegen 6 uur 's avonds naderen we Flores. Grote stukken en vlakten onontgonnen gebied, zeer dun bewoond. Flores blijkt een piepklein dorpje te zijn gelegen op een schiereiland aan het meer van Peten. Morgen gaan we naar Pikal, blijkbaar de grootste en indrukwekkendste Maya vindplaats van heel Centraal Amerika. We zijn benieuwd.

 

dag 17,  zondag 19 april

De zon verschijnt als een vuurrode bol boven Peten meer wanneer we al erg vroeg vertrekken vroeg naar Pikal. Onderweg passeren we tal van dorpjes, een verzameling hutten met strooien dak, afgewisseld met meestal diepgroene of roze kleine huisjes, verscholen onder en tussen palm- en bananenbomen.

Pikal ligt midden het regenwoud. Meer dan 3000 tempels en bouwwerken grotendeels overwoekerd door het wouden en een klein deel blootgelegd. Papegaaien en toekans fladderen in de bomen. Aapjes slingeren boven het hoofd. Vooral de Gran Plaza is indrukwekkend mooi en imposant.

Terug in Flores wordt het relax max. Zwemtje in het meer vlak voor ons hotel. Floristen maken er blijkbaar een zondagse bezigheid van om stapvoets rondjes te rijden rond het eiland om toeristen te observeren. Morgen rijden we verder naar Belize.

Groetjes,

 

 

dag 18,  maandag 20 april

Deze morgen vroeg vertrokken richting Belize, onze bestemming voor vandaag. Rond 9 uur staken we de grens over. Het landschap veranderde niet veel. Wel de taal, want als gewezen Engelse kolonie is hier het Engels de voertaal. Wel wat luxueuzer huizen maar evenveel scheefgezakte hutten.

Rond de middag waren we in Belize stad waar we de taxiboot namen naar Caya Caulker, een eilandje op zowat een uur varen. Met 3 maal 200 pk buitenbootmotor achter 't gat gingen we wel snel vooruit.

We varen tussen de mangroven en passeren geregeld opgekalfaterde zeilboten met zeilen al lappendekens, zo vaak hersteld. Caya Caulker is een klein langgerekt eilandje, Caraïbisch getint met veel big big mama's en rasta papa's. We logeren in een hotelletje vlak aan het strand. Hier rijden enkel fietsen en elektrische golfkarretjes. Er zij geen straten, enkel zandwegen. Het zeewater is er heerlijk warm en de pelikanen zweven hier rond je hoofd. Een klein paradijs. Morgen gaan we snorkelen want naar 't schijnt liggen hier een van de mooiste koraalkliffen ter wereld. Zullen zien.

vele groetjes,

 

 

dag 19, dinsdag 21 april

Ontwaken op Caye Caulker. Het is zwaar bewolkt maar om 7 uur straalt de zon. Ontbijt op terras met reggae muziek. Bob Marleys rijden voorbij op veel te kleine fietsen. "Good morning"

Vandaag snorkeldag. Met een zeilboot varen we tot aan het rif voor de kust. We starten in mineur want het is gaan regenen en het waait flink maar tegen de tijd dat we het rif bereiken klaart het boeltje op. Op drie verschillende plaatsen kunnen we telkens een uurtje snorkelen. Je houdt het niet voor mogelijk : tussen miljoenen vissen van allerlei grote, kleur en vorm die zwemmen tussen waaiers van paarse koraal. Tussen haaien van circa 1,5 meter die je kunt aanraken, grote roggen met glad vel, zeeschildpadden en barracudas. Op de terugweg, punch rum a volonté.

 

 

dag 20, woensdag 22 april

We verlaten Caya Caulker en Belize en rijden terug naar Mexico. Ik zit met een kater, niet van de rum maar van de zon die mijn rug flink verbrand heeft. ‘s Avonds komen we in Playa del Carmen. Terug Corona na de Belikin van Belize en de Pollo van Guatemala. Eerste kennismaking met Playa del Carmen : een toeristische janboel.

 

 

dag 21, donderdag 23 april

Playa del Carmen braakt zijn autocars uit richting Tulum. Een toeristisch mierennest. De site van Tulum is een afkooksel van al wat we nu toe aan archeologische sites gezien hebben. De Maya speeltuin van de bruinbakgangers van Playa. Een plek om vlug te vergeten en dat doen we dan ook graag.

 

‘s Namiddags lekker niksen en een boek lezen aan het zwembad verscholen voor de 40 graden zonnestralen zonder medelijden voor het gemartelde lijf.

 

 

dag 22,  vrijdag 24 april

Onze laatste volle dag in Mexico. Nog wat luieren aan het strand en aan de azuurblauwe Caraïbische zee. Nog wat slenteren door de winkelstraat van Playa.

Morgen zaterdag vertrekken we om 10.30 uur. Eerst een binnenlandse vlucht van Calcun naar Mexico City. Dan naar Madrid en vervolgens naar Schiphol. Zondagavond komen we thuis als er geen vertragingen zijn, rond middernacht.

Wij hebben er van genoten en wij hopen jullie een beetje met ons.

PS: we zijn inderdaad thuis gekomen na onderweg nog een paar hindernissen overwonnen te hebben. Wat we inderdaad ter plaatse niet wisten en waarvoor de halve wereld op zijn kop stond, was het feit dat de Mexicaanse griep was uitgebroken. Vooral in Madrid werden we opgehouden en behandeld als uiterst risicovolle dragers van het virus

 

15:37 Gepost door Guido De Greef in Reizen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende